groen

Tote Taube

Station Bielefeld. De trein naar Minden komt binnen op spoor 2. Het is koud, de eerste echte kou die ik voel deze herfst, afgelopen nacht lag de temperatuur rond het vriespunt. Als de trein tot stilstand komt, denk ik even dat het sneeuwt; er dwarrelt iets wits van de voorruit en onder de ruitenwisser lijkt een klomp sneeuw te zitten. Het is een duif. De machinist steekt zijn hoofd uit het zijraampje. ‘Der is tot’, zegt hij, waarmee hij doelt op een vogel, want die is 'der’, terwijl een duif 'die’ is. Mijn Duits gaat met sprongen vooruit. Net gebeurd, vertelt hij ook, terwijl hij 160 kilometer per uur reed. Hij stapt niet uit om de vogel te verwijderen, kijkt op de stationsklok, ziet dat hij al een minuut te laat is. 'Schade’, zei ik, terwijl ik zielig wilde zeggen, maar dat woord had ik niet paraat. Hij zwaait naar me als de trein optrekt.
Even later komt de trein naar Hannover binnen, op hetzelfde spoor. De voorruit is schoon. Ik stap in en ga op zoek naar mijn besproken plaats. Naast me zit een heel kleine vrouw. Ze heeft een dwergteckel in een reistas voor zich op de grond staan. Ze windt het beest op, spreekt het toe en duwt het dan in de tas, doet de rits stevig dicht. De hond kronkelt en piept, het plastic van de bovenkant van de tas bolt op. De vrouw duwt tegen de kop, steeds weer. Maar de hond laat zich niet wegduwen. Ik vind de kleine vrouw stom en dom. Ze beseft niet dat je zo'n beest niet eerst kan opwinden en dan van hem verwachten dat hij rustigjes in zo'n rottas blijft zitten. Ze spreekt hem toe, zo van: 'Wat wil je nou?’ Ik wil iets zeggen, me ermee bemoeien, dat doe ik graag in het buitenland, makkelijker dan thuis. In plaats daarvan denk ik aan de machinist, die speciaal voor mij zijn hoofd uit het zijraampje stak, omdat hij iets kwijt moest, in zijn hart natuurlijk enorm de pest in had over die dode duif. Eine tote Taube, scheisse!