Tour

Het is de paradox van een door en door zieke sport dat zij alleen door een ex-patiënt gered kon worden. Voorlopig. Wielrennerij en haar kroonjuweel de Tour de France hangen al jarenlang van list, bedrog, corruptie en leugens aan elkaar. Het is ontegenzeglijk de sportdiscipline waar per vierkante centimeter de meest gedrogeerde beoefenaars te vinden zijn.

Verleden jaar gloorde nog even hoop. Door de brute en nietsontziende acties van politie en justitie werd het maffiose wereldje dat de Tour heet op zijn kop gezet. Hier en daar gingen stemmen op die het stilleggen van deze ambulante farce eisten. Helaas werden ze niet gehoord. Het had toch iets moois en reinigends kunnen hebben: een paar jaar geen Tour zodat een gigantische schone handen-operatie gestart had kunnen worden. Bijvoorbeeld door een permanente gezondheidsbewaking en dus dopingcontrole van alle actieve professionele renners. Maar nee, aan het rijtje van verdachte winnaars van de laatste jaren werd een nieuwe naam toegevoegd; die van een Italiaanse komediant wiens bloed, driekwart jaar later, de consistentie van een zaakje gesmolten stroopwafels blijkt te hebben. Godzijdank viel dit jaar een engel uit de hemel die midden in het inferno van de verhitte Franse wegen belandde. Lance Armstrong, the saint, uit een graf vol metastases en uitzaaiingen gestapt om op de pedalen de bergtoppen te bedwingen. Het volk van de volgers en het publiek houden van wonderen. En de Amerikaanse kampioen, ervan uitgaande dat hij inderdaad uit mineraalwater is samengesteld, is een wonder dat je niet dagelijks tegenkomt. Toch jammer dat door een sprookjesachtig mirakel de alledaagse werkelijkheid en het rottingsproces dat het peloton teistert, worden gemaskeerd. Armstrong is bij geen enkele dopingcontrole positief bevonden en alleen daarom mag inderdaad geen verdachtmaking naar zijn hoofd worden geslingerd. Maar wat me werkelijk stoort, is de intolerantie van de gezette sportjournalisten, de brooddeskundigen, die geen enkel vraagteken achter de wederopstanding van hun nieuwe held verdragen. Armstrong is waarschijnlijk een medisch wonder. Hij wordt vaak vergeleken met renners als Pantani en LeMond die na een ernstig ongeluk toch de Tour wisten te winnen. Het probleem is dat Pantani en LeMond niets anders deden dan op hun oude niveau terugkeren. Ex-kankerpatiënt Armstrong zette na zijn genezing een reeks prestaties neer die voor zijn ziekte als onmogelijk werden beschouwd. Hij kon in het verleden absoluut niet klimmen, reed drie keer de Tour niet uit en de enige keer dat hij dat wel deed kwam hij niet verder dan de 36-ste plaats. Om nu te beweren dat hij zijn huidige Tour-overwinning niet zonder EPO of welk product ook heeft kunnen behalen is even dom, gratuit en onnozel als te stellen dat Armstrong onmogelijk verboden middelen heeft kunnen gebruiken vanwege zijn status van ex-kankerpatiënt die naar een gezond leven hunkert. Ik wil best geloven dat wilskracht en training de bronnen vormen van zijn succes, maar onze kampioen heeft de pech een sport te beoefenen die tot op het bot is aangetast. En alleen daarom zijn voor de journalist die zijn vak goed verstaat argwaan en een kritische benadering op zijn plaats. Jammer voor Armstrong, maar dat hebben de wielrenners, hun ploegartsen en sportdirecteuren aan zichzelf te wijten. Eigenlijk waren we nooit zover gekomen als de rondespecialisten, die soms meer dan twintig Tour-edities op hun borst spelden, hun journalistieke werk hadden gedaan. Maar het besloten en promiscue universum van de Tour kent geen onderzoeksjournalisten. Als die in de village départ toch worden gesignaleerd worden ze door hun collega’s voor ratten en aasgieren uitgemaakt. Kom niet aan mijn sportje, laat alsjeblieft alles bij het oude. En daarom moeten we het al jaren stellen met blinden en doven als Mart Smeets. Pseudo-deskundigen die tussen twee hatelijke tirades aan het adres van hun meer doortastende confraters doodleuk stellen: ‘Natuurlijk worden we belazerd maar we kunnen er geen vinger achter krijgen als we dat zouden willen.’ En als een ding zeker is: Smeets wil het niet.