Tourflits

Op woensdag 19 juli 1989 stond ik op het terras van een hotel van l'Alpe d'Huez me af te vragen of mijn kinderdroom nu wel of niet was uitgekomen. Het lastige van kinderdromen is dat ze meestal uitkomen wanneer je volwassen bent. Je hebt dan minder haar op je hoofd en meer vet aan je lijf, en de wereld die voor je ogen vloeit krijgt andere dimensies, geuren en smaken.

Als kind was ik gefascineerd door de Tour de France. Ik droomde ervan om heel dicht bij de renners, mijn helden, te komen. Om hun zweetlucht op te snuiven en hun kleurrijke shirts te mogen aaien.
Het moet in 1963 of ‘64 zijn geweest dat ik voor het eerst een aankomst van ’s werelds grootste ronde zag. In Orléans zoefde Jean Stablinsky als winnaar over de finish. Het publiek klapte en ik klapte mee. Toen het maillot jaune van Anquetil in zicht kwam, ontstond er een angstaanjagend fluitconcert. Tot mijn onsteltenis zag ik hoe Anquetil afstapte, zijn fiets tegen de grond smeet en een toeschouwer met zijn blote vuisten te lijf ging.
Toch viel mijn droom niet in duigen. De Merckx-jaren stonden op het punt te beginnen en ik besloot dat Cyril Guimard mijn favoriete renner zou worden. Guimard - de kleine en slimme sprinter die ook nog met de sterksten mee kon klimmen.
Negen jaar geleden vroeg de krant me om de Tour te volgen. Niet om de koers te verslaan - ik was geen deskundige - maar om dagelijks een sfeerverhaal te schrijven. Ik smolt van geluk. Mijn kinderdroom zou uitkomen.
Maar na zeventien etappes stond ik op l'Alpe d'Huez me af te vragen of dat wel zo was. Vanaf het terras keek ik naar de Tour-wagens, naar de mecaniciens die bezig waren de fietsen schoon te spuiten, naar de schaars geklede jonge vrouwen van de reclamekaravaan.
Cyril Guimard, die ploegleider was van Laurent Fignon, was ik in het begin van de Tour eindelijk tegengekomen. Ik werd in Luxemburg aan hem voorgesteld. Toen hij mijn naam hoorde, schudde hij mijn hand met een geamuseerde blik in de ogen. In mijn hand voelde ik een weke consistentie. Een klamme slak. Ik was geen jongetje meer. Ik was gegroeid, had in de aanloop naar de Tour een stuk geschreven over beschuldigingen die in Nederland aan het adres van de Franse kanshebber Fignon waren geuit. Hij zou het jaar ervoor uit de koers zijn gestapt om niet positief bij de dopingcontrole te worden bevonden. Guimard klaagde mij en mijn krant onmiddellijk aan en eiste 50.000 francs schadevergoeding. Ik ging naar Parijs aan de rechters uitleggen dat ik niets anders dan mijn werk had gedaan. Dat vonden ze niet. Fignon was een grote kampioen, n'est-ce pas? En als ik zonodig over die beschuldigingen in de Nederlandse media wilde rapporteren, had ik maar erbij moeten zetten dat die vals waren, want door geen bewijzen gestaafd. Tegen mij getuigde een Franse journalist, een collega dus. Hij had met zijn eigen ogen gezien hoe een glibberige lintworm uit de anus van de kampioen was gekropen. Niks doping. Uitspraak half juli, zei de rechter.
Op het terras van het hotel kon ik een glimlach niet onderdrukken. Een kleine week ervoor, in een oververhitte perszaal in Montpellier, had ik van onze advocaat vernomen dat ik de zaak had verloren. Het jongetje dat vroeger de foto’s van Guimard uit de krant verzamelde, moest zijn held 15.000 francs schadevergoeding betalen.
Ik begon steeds luider te lachen, totdat iemand naast me kwam staan. Een renner van de ploeg Z-Peugeot. Een anonieme knecht in trainingspak en slippers. Even lachte hij mee. Ik kende Philippe Casado amper. Hij draaide zijn hoofd naar mij toe, keek naar de groene perskaart die om mijn nek hing en richtte vervolgens zijn blik, recht voor hem uit, op een kale berg. Hij begon zijn korte monoloog zonder één seconde die berg uit het oog te verliezen.
Het was een rotleven, zei hij. Hij was een slaaf die iedere dag opnieuw zijn kilometers moest vreten. Hij moest de machine draaiend houden. Dat Tour-circus met al dat geld. Hij, de renner, werd misbruikt, maar hij stond niet alleen. Ook ik was deel van het systeem en werd misbruikt. Nietige pionnetjes. Zandkorreltjes.
Hij draaide zich om en ging het hotel binnen. In mij was een laatste flard van een oude droom gestorven. Een paar jaar geleden moest ik aan die avond van juli 1989 op l'Alpe weer denken. Het was toen ik in de krant las dat Philippe Casado een val van zijn fiets niet had overleefd.