Tout de groene

Voor het 100-jarig bestaan van de Stadsschouwburg was een Mediamarkt verzonnen: bladen kregen een ruimte waarin zij de middag mochten vullen. Ook De Groene kreeg een foyer en de hoofdredacteur verzocht ons op te draven - niet met zang en dans maar met ons specialisme: het geschreven woord. Ik zegde een kunstje toe en ontving in ruil van de organisatie een indrukwekkende set toegangskaarten: voor een feestelijke opening, een avondvoorstelling en een feest - elk voor twee personen. Even trachtte ik me tot vreugde op te pompen, alsof ik eindelijk kaarten voor het Boekenbal had gekregen (die ik dan hautain niet zou gebruiken, maar toch), doch er zat kennelijk een lekje. Ook vroeg ik me af waarom ik kaarten kreeg voor een Mediamarkt die toch voor elke belangstellende toegankelijk zou zijn.

Enfin, braaf schreef ik een stukje over mijn veertigjarige relatie met de Schouwburg en een uur voor ons optreden arriveerde ik voor de officiele opening. De zaal was nagenoeg leeg. Hoewel ik me minder opgelaten voelde dan anders bij gelegenheden waar grote spanning zichtbaar wordt tussen ambities en dromen enerzijds en de werkelijkheid anderzijds (ik zat daar immers met een rechtvaardiging), toch voelde ik plaatsvervangende schaamte bij Jansen van Galens vrolijk spreekstalmeesterschap en de (overigens wel erg ongeinspireerde) openingswoorden van de nieuwe burgervader. Gek genoeg verdween die schaamte geheel bij het optreden van des jubilators directeur, hetgeen zowel iets zegt over het feit dat zij weinig warme gevoelens bij me losmaakt als over haar theatervakvrouwschap - Cox Habbema leek het niets uit te maken of ze voor een publiek van twee of tweeduizend optrad: voorstelling is voorstelling. Zo hoort het natuurlijk ook. Wel vroeg ik me af welk zichzelf respecterend theater van welke zichzelf respecterende cultuurstad elders een zo uitgesproken krakkemikkig eeuwfeest zou vieren. Om de kaartjes zou gevochten moeten zijn. En het middagprogramma… goeie hemel. Bedacht was een forum over eten (‘Waar denk je aan bij 'schouwburg’? Aan eten. Eten? Ja, ik denk altijd aan eten’) en dat bleek nog veel wezenlozer dan te vrezen viel. Laat dat maar over aan gespreksleider Johannes van Dam.
Na een uur verliet ik uitgeput en hongerig de zaal om in 'onze’ foyer louter bekende gezichten te treffen. Niet 'tout Amsterdam’, wat voor het ego strelend ware geweest, doch 'tout le Groene’. Een mij overigens zeer dierbaar gezelschap dat ik ken van 24 kerstborrels of zoveel korter als zij in de familie zijn opgenomen. Jacq Vogelaar vertelde hoe hij ooit, samen met een groep muzikanten, was opgetreden voor een publiek bestaande uit een man, en net toen ik wilde voorstellen dat wij ons gezamenlijk eens goed zouden gaan bezatten, opende Van Amerongen met de vanzelfsprekende vrolijkheid van Habbema onze middag. Zelfs de drie personen die ik niet van gezicht kende, hadden aan het eind van de middag optredens achter de rug: veelbelovende jonge medewerkers. Maar, en dat is het vreemde, ik had het voor geen goud willen missen, dit malle personeelsmiddagje van ons weekblad: ze kunnen wat, die meiden en jongens. Schouwburg of niet.