Toverachtig trillen

De meesterlijke kleurenstukken van Han Schuil zijn niets dan vormen van kleur die elkaar in een soort evenwicht houden, wankel, alsof ze nog tot echte stilstand moeten komen.

HET KLEINE, gedrongen rechthoekige volume, roze gelakt, dat nu als schilderij aan de muur hangt, was eerst een van aluminium gevouwen doos, vervolgens wat verbogen en gedeukt. Als vorm begonnen, werd het vervolgens letterlijk vervormd – en werd het een onwerkelijk oppervlak waarvan zowel de vorm als ook het verloop van de verbuiging niet te beschrijven is. Denk aan een vlag die in een slappe wind wat heen en weer beweegt: zo vormloos is eigenlijk ook dit oppervlak, een toevalligheid. Han Schuil wilde dat oppervlak eerst, laten we zeggen, anoniem hebben, het moest op niets lijken. Daarna roze gelakt (laag na dunne gladde laag, zwak glanzend) werd het een onnavolgbaar grillig oppervlak van volstrekt abstract roze dat wij, al naar gelang wisselingen in belichting, zien in een veelvoud van ragfijne zachtmoedige verschijningen – tussen vol licht en donkere schaduw. Wat we zien is een vormgeving van kleur op zichzelf: het onderwerp van dit dromerige schilderij is de kleur roze en niets anders. De drager van aluminium is zo vormloos en misleidend om elke identificatie met bekende voorwerpen en vormen te blokkeren. Dit is niet het fragiele roze van een zachte babyhuid noch de tere kleur van een roos. Het is dit en geen ander roze. Om de lak zo mooi en glad gepenseeld te krijgen was het strakke aluminium oppervlak nodig. Een linnen ondergrond, hoe stevig ook gespannen, zou onder de druk van de kwast toch iets meegeven waardoor er kleine fluctuaties of bevingen in de penseelvoering kunnen achterblijven.
Sommige schilders, zoals Robert Ryman, maken daar juist gebruik van. Schuil echter wil een roerloos oppervlak en een roerloze kleur – die door hem is stilgelegd om er aandachtig, en niet door vorm gestoord, naar te kunnen kijken. Zo aandachtig en geduldig, stel ik me voor, keek een stillevenschilder in de zeventiende eeuw naar het glinsterende geel van een citroen of naar het dofglanzende grijs van een tinnen kan. Hij keek ernaar omdat hij zulke dingen zo overtuigend nauwkeurig wilde schilderen dat de kijker als het ware de frisse citroen kon proeven. Maar als die schilder een ander geel dan citroengeel zou willen schilderen, moest hij eerst een nieuw onderwerp zien te vinden: een boeket, bijvoorbeeld, met gele tulpen. Zo’n klein dilemma deed zich in de artistieke cultuur van die tijd overigens niet voor. Het was misschien ook wel een mooi helder geel dat Willem Kalf wilde schilderen, maar meer nog ging het om het natuurgetrouw weergeven van het geel van de citroen. In zo’n schilderij is het geel opgebracht met een wat klodderige toets om de typisch bobbelige schil van de vrucht te benaderen. Voordat er abstracte kunst bestond was de kleurgeving vooral gericht op de formele articulatie van het te schilderen onderwerp – kijk ook maar naar de welig golvende, kolkende penseelstreken in Van Goghs donkergele korenvelden.
In de meeste schilderijen van Schuil, zoals ook in een werk zonder titel uit 2009, is de vormgeving zo uitgekiend dat de vorm niet op iets lijkt maar juist (ook al door het handschriftloze oppervlak van gladde lak) uiterst artificieel werkt. Samengevat in een strak getekende spraakballon (als uit een strip) zien we een grillig patroon van hoekige vlakken die als puzzelstukjes in elkaar passen. Elk vlakje draagt een enkele kleur. Oranje, zwartblauw, heel licht blauw en twee versies wit, mat en glanzend. Hier en daar is de ondergrond zichtbaar gebleven: witte olieverf op aluminium, dunne lichte lagen kruislings geschilderd. Op dit tere zijdeachtige witte vlak is het patroon opgebouwd en in elkaar gepast. Langs de rand van een vorm is af en toe nog een dunne lijn te zien van een andere kleur die er in een eerdere fase onder gezeten heeft.
Dit effect werkt als een minieme verschuiving – het herinnert eraan met hoeveel geschuif en geplak dit patroon tot stand is gekomen, en hoe bizar en verzonnen het geheel is. Het zijn niets dan vormen van kleur die elkaar in een soort evenwicht houden, wankel, alsof ze nog tot echte stilstand moeten komen. Soms zie je, in de herfst, laag zonlicht glinsteren op de draden van een spinnenweb, deinend tussen de takken. Op zo’n toverachtige manier trillen de kleuren in dit schilderij. Maar dan zoek ik toch weer een vergelijking om iets onbeschrijflijks aan te duiden dat ik wel gewoon kan zien: een meesterlijk kleurenstuk van Han Schuil.

Onder de titel Blast toont Galerie Onrust t/m 3 oktober werk van Han Schuil; Planciusstraat 9a in Amsterdam