Toveren zonder computer

Het handjevol bezoekers in het piepkleine zaaltje van het Filmmuseum staart naar de bewegende beelden op de wand. Twee schuine zwarte strepen zijn er te zien, die elkaar bovenaan ontmoeten. Boven die smalle, omgekeerde V strekt een breed, lichtblauw vlak zich uit, met daarin een geel cirkeltje. Even zijn de toeschouwers stil, niemand weet precies wat het beeld voorstelt. Dan klinkt er ineens het bijbehorende geluid. Een stem bootst het geluid van een race-auto na: het brullen van een motor en het piepen van de remmen. Het blauwe vlak helt nu eens naar links, dan naar rechts. En ineens is het beeld overbekend: het toont een weg die tot aan de horizon reikt. De toeschouwers zitten in een denkbeeldige auto, en de horizon waar zij op uitkijken beweegt mee met de scherpe bochten die de auto maakt.

Dit is het beeld dat domineert op de monitoren van iedere willekeurige hal vol luidruchtige speelautomaten. Het is een van de oerbeelden van de computerspelletjes, stammend uit de begintijd van de virtual reality. Een hypnotiserend plaatje, waar de toeschouwers in het Filmmuseum zich gewillig door laten meevoeren. Heerlijk, die illusie van snelheid. Maar in dit geval is de virtuele snelweg niet opgebouwd uit een liefdeloze computertekening, en het vervormde en veel te harde geluid blijft achterwege. Autorit van beeldend kunstenaar Job Horst refereert weliswaar aan de hedendaagse clichés uit het tijdperk van de computeranimatie, maar het brengt tegelijkertijd de toeschouwers een eeuw terug in de tijd. Het is een handgemaakt en met de hand bewogen plaatje voor een toverlantaarn.
Diascoop, onder die titel presenteerde een collectief van zes kunstenaars het afgelopen weekend voor het eerst hun toverlantaarnvoorstelling. Onder het motto ‘oude technieken voor nieuwe beelden’ schuiven zij twintig minuten lang projectieplaten met eigen creaties door twee authentieke toverlantaarns. Zelf noemen ze hun sterk uiteenlopende werkstukken 'korte verhalen’. Soms vertellen zij die verhalen zelf, maar ook de plaatjes zelf zijn beeldverhalen, zoals dat bij de toverlantaarn gebruikelijk was. Beweging is het belangrijkste kenmerk van dit ouderwetse medium, iets dat bij de hedendaagse diaprojector verloren is gegaan. In Diascoop voert de toverlantaarn één beweging uit die de diaprojector nog wel kan nabootsen: het verhaal De jongen van Pauline Hoogweg bestaat uit één plaatje dat steeds van scherp naar onscherp verandert. Maar Julia, een meezinger van Ida Lohman toont bewegingen die alleen bij de toverlantaarn gemaakt kunnen worden. De losse ledematen van een poppetje worden ter plekke met touwtjes heen en weer bewogen. En het gezicht van het poppetje wordt veranderd door er steeds een nieuwe beeldlaag overheen te leggen. Het effect is een gemanipuleerd beeld, maar er komt geen computer aan te pas.
Een poëtisch onderdeel van Diascoop is een lange slinger van schelpen en vissen, zo nu en dan onderbroken door vreemde voorwerpen als een kleerhanger of een schoen. De toeschouwers die tijdens het trage passeren van die beeldslinger achterom kijken, zien hoe de bedieners van de toverlantaarn een enorme beeldplaat van bijna een meter lang door het projectie-apparaat trekken. Die logheid van de gebruikte middelen roept een prettige soort nostalgie op: hier wordt nog heldhaftig met materie gevochten. Het nadeel van de grote variatie van 'verhalen’ is de wisselvalligheid van het geheel. Het voordeel is het scala aan toepassingen. Er zijn abstracte beelden die alleen maar bestaan uit projecties van gedroogde bladeren, er zijn pietepeuterige tekeningetjes en collages van allerlei soorten materiaal. Maar het meest fascinerende zijn de autofantasieën van Job Horst, omdat hij met touwtjes en een likje verf de moderne massamedia antwoord geeft.