Toverstaf en Tijdmachine: hoe ons literatuuronderwijs vrouwen buitensluit

Onlangs keek ik met Alice, mijn nichtje van zeventien, naar The Time Machine, een verfilming uit 1960 van het gelijknamige boek van H.G. Wells.

Medium 20160222 lezeresdevaderlands compilatie3

Op zeker moment geeft de tijdreizende mannelijke wetenschapper een lange uiteenzetting aan een hoogblonde en hoogst onnozele jonge vrouw. Met knipperende ogen kijkt ze naar hem op en verzucht: ‘I do not understand you, but I believe you _!__ ’_ Een bulderend gelach steeg op uit de keel van Alice. Het vrouwbeeld uit de sciencefictionfilm bleek allesbehalve futuristisch, maar ’t product van jaren-zestigseksisme waar zelfs een zeventienjarige tegenwoordig onmiddellijk doorheen prikt.

Gek toch, dacht ik later, dat in het specifieke geval van The Time Machine het seksisme zo zichtbaar was. Meestal vliegen stereotypen gemakkelijk onder de radar. Met literaire klassiekers ligt het helemaal ingewikkeld: daarbij wordt het vaak als een aantasting van het grote werk en de grote kunstenaar gevoeld als je vaststelt dat er tijdgebonden vooroordelen in voorkomen. Neem nu een boek als Mulisch’ De ontdekking van de hemel: daarin worden alle hooggeleerde gesprekken uitsluitend door mannen gevoerd en dienen vrouwelijke personages gedwee de thema’s ‘het raadsel der voortplanting’ en ‘seks’ te belichamen. Net als in The Time Machine en even achterhaald. Maar terwijl ik dit schrijf, weet ik al dat ik menige Mulisch-bewonderaar tegen me in het harnas jaag.

We willen zo graag geloven dat er zoiets bestaat als de toverstaf van de canon. Alle kunstwerken die door deze staf zijn aangeraakt gaan zweven, hoger en hoger, tot ze arriveren in het pantheon van meesterwerken. Onsterfelijk! roepen we dan, en vooral: tijdloos!

Onzin natuurlijk. Zoals er geen teletijdmachines bestaan, zo bestaan er evenmin kunstwerken die zich helemaal onttrekken aan wat ik nu maar even ouderwets ‘de tijdgeest’ noem. Daarom hoeven die kunstwerken niet in de beklaagdenbank, maar cruciaal lijkt me wel het ontwikkelen van ruimhartige leesgewoontes, met boeken uit verschillende tijden, van verschillende typen auteurs, dwars door genres en stijlen heen. Dat houd ik mijn nichtje althans altijd ernstig voor. Volstrekt tevergeefs overigens, want Alice rolt dan op onnavolgbare wijze met haar ogen – ze houdt veel van curieuze oude films, niet heel erg van lezen, en nog minder van mijn belerende woorden.

Lezen voor de Lijst: voorbij de Grote Drie Hysterie

Toen ik haar vroeg hoe ’t er tegenwoordig aan toe gaat in het literatuuronderwijs wees Alice me op de website Lezen voor de Lijst. Alhoewel niet verplicht, wordt deze website zeer intensief gebruikt in het middelbaar onderwijs als richtsnoer door leraren en leerlingen. Ik heb de lijst bekeken en, lieve lezers, toen begon ík met mijn ogen te rollen. Opvallend is vooral de complete afwezigheid van veel bekroonde en geroemde vrouwelijke auteurs: op de lijst staan nul komma nul werken van Andreas Burnier, Charlotte Mutsaers, Marja Brouwers, Mensje van Keulen of D. Hooijer, om er slechts enkele te noemen.

Het probleem houdt echter niet op bij het ontbreken van belangrijke vrouwelijke auteurs: de vrouwen die er wél op staan worden ook veel lager ingeschaald dan de mannelijke. Tegenwoordig is die leeslijst op niveau ingedeeld: niveau 1 is ’t eenvoudigst, niveau 6 is het moeilijkst en wordt ‘academisch’ genoemd. Wat laten de kale cijfers zien?* Op niveau 1 is 55 procent van de boeken geschreven door een vrouwelijke auteur; niveau 2 45 procent; niveau 3 36 procent, niveau 4 10 procent, niveau 5 18 procent en niveau 6 0 procent. Jawel, u leest het goed, op het hoogste niveau staat niet één vrouwelijke schrijver genoemd. Er zijn minder effectieve manieren om leerlingen onbewust het signaal te geven dat als het er echt op aankomt vrouwen niet meetellen in de literatuur.

Vwo-leerlingen hoeven volgens deze methode strikt genomen maar tot niveau 4 te kunnen lezen. Op dat niveau 4 is het echter ook al heel scheef verdeeld: 90 procent (!) van de auteurs is man. Het wemelt van de titels van Reve, Hermans, Mulisch, Claus en Wolkers: allemaal mannen geboren in hetzelfde decennium – er moet toen iets bijzonders in het water hebben gezeten. Verder de bekende namen: Couperus, Bordewijk, Vestdijk. Van de auteurs geboren na de Tweede Oorlog zijn precies die schrijvers stevig vertegenwoordigd die deze oudere prozatraditie voortzetten. Connie Palmen schreef met Lucifer een ode aan het seksistische, pardon, intellectuele herenclubje van Mulisch. En zie: zij is samen met Haasse de enige vrouw met meer dan één werk op Lezen voor de Lijst. Ook vinden we flink wat titels van Grunberg, een auteur die zich evident verhoudt tot de polemische en nihilistisch-groteske traditie van Hermans.

Ik ben niet tegen deze auteurs op de lijst en ik ben niet tegen deze prozatraditie, ik ben tegen de monocultuur die hiermee in stand wordt gehouden. Want niet alleen als we kijken naar de man-vrouwverhoudingen ontzegt deze lijst leerlingen een kennismaking met de rijkdom van de Nederlandse literatuur. Waar zijn de wilde vorm- en stijlexperimenten? Niet één werk van M. Februari op de lijst, geen spoor van de absurdistische verhalen van Fritzi ten Harmsen van der Beek, geen Marie Kessels, Sybren Polet, Brakman of Krol.

Dat er in Suriname en de Cariben interessante literatuur wordt geschreven ontdek je eveneens maar moeizaam via de leeslijst. Alleen auteurs van de oudere generatie (Tip Marugg en Frank Martinus Arion bijvoorbeeld) staan er vanaf niveau 4 mondjesmaat op. Meer actuele auteurs als Clark Accord en Cynthia McLeod zijn laag ingeschaald, op niveau 2, niet echt stimulerend. Voor uw beeld: Boven is het stil van Gerbrand Bakker en Peter Buwalda’s Bonita Avenue hebben niveau 4 gekregen. Niets van Astrid Roemer op de lijst – een auteur die bij uitstek op niveau 6 genoemd zou kunnen worden. Dichter bij huis werd Amatmoekrins Het Gym eveneens slechts op niveau 2 ingeschaald, terwijl Tommy Wieringa’s oergezellige jongensboek Joe Speedboot niveau 4 kreeg. Ook hier de vraag: welke leerlingen krijgen onbewust de boodschap dat in de literatuur zij altijd een niveautje of twee minder zullen blijven?

Op de website wordt uitgelegd dat bij het toekennen van het niveau er enkel naar de literaire eigenschappen van de tekst wordt gekeken. Het totaalbeeld van de lijst laat echter zien dat schrijvers die niet in het traditionele plaatje van de Grote Auteur passen er structureel bekaaid vanaf komen. Nu het hele schoolvak Nederlands en in het bijzonder de literaire canon onderwerp van landelijk debat zijn, lijkt me dit hét uitgelezen moment voor alle betrokken partijen in het onderwijs om eens kritisch te kijken of er mogelijk onbewuste bias in de huidige canon is binnengeslopen.

Literatuur lezen is bovendien zoveel meer dan leren omgaan met metaforen en vertelstructuren (hoe belangrijk overigens ik dat ook vind). Hoe moeilijk een literair werk is, hangt eveneens af van de relatie die de tekst aangaat met de geschiedenis en de samenleving. Een historische roman over het slavernijverleden als Hoe duur was de suiker, of een boek dat processen van in- en buitensluiting thematiseert als Het Gym – is dat niet ook complex? Voorzover ik kan nagaan, bestaat voor die vorm van moeilijkheid bij Lezen voor de Lijst echter geen criterium.

Rode oortjes

Wellicht denkt u: maar literatuur is er niet om divers of representatief te zijn, scholieren moeten in de eerste plaats kennismaken met belangrijke literaire werken. Dat is zeker een taak van het literatuuronderwijs, maar wat verstaan we precies onder ‘belangrijk’? Er is geen zwevende toverstaf die losgezongen van subjectieve leeservaringen vast kan stellen wat er in de literatuur toe doet en wat niet. Heel wat mannelijke critici en schrijvers vertellen graag glunderend hoe ze ooit met gloeiende oortjes voor het eerst Jan Wolkers lazen. Ik gun het ze allemaal van harte, maar had dat nu werkelijk veel te maken met objectief vast te stellen literaire kwaliteit?

Ondertussen is het in de Nederlandse literatuur nu al tientallen jaren Groundhog Day, een andere film waarmee ik Alice aan het lachen heb gekregen. Dankzij een ongelukkig huwelijk tussen neerlandici die in objectief te meten literaire competentie geloven, en de gloeiende-oortjes-mannen die de literatuurkaternen volpennen, krijgt onbedoeld iedere nieuwe generatie scholieren dezelfde benauwde kijk op literatuur voorgeschoteld als het hoogst haalbare. Schrijf somber nihilistisch psychologisch-realistisch en polemisch proza, schrijf over mannen, wees een man. En het werkt: een jonge auteur als Philip Huff is druk doende allerlei verwijzingen naar De avonden in zijn werk te stoppen, Christiaan Weijts laat als het even kan vallen een Mulisch-fanboy te zijn en zo kan ik nog wel even doorgaan.

Alice ondertussen heeft al aangekondigd later wiskunde te gaan studeren. Ze gaf me haar leesdossier, dat vrees ik van lui googlewerk aan elkaar hing. Ik kijk dan streng over de rand van mijn leesbril maar denk ondertussen: misschien is anno 2016 inzicht in cijfers voor een jonge vrouw wel minstens zo belangrijk als goed leren lezen.

*alleen de titels vanaf 1800 zijn geteld.


Ook bij De Groene-redactie is de naam van De Lezeres onbekend. Haar weblog vindt u hier.