Tovertonen

Iedereen bezwijkt elke dag wel een keer voor de betovering van muziek. Een obsederend gegeven, vond Helmut Krausser, en hij schreef er een dikke historische roman over. Interview met een Duitse Umberto Eco.
Helmut Krausser, Melodieen. Uit het Duits vertaald door Ria van Hengel, uitgeverij De Geus, 768 blz., 3 79,90
IN MELODIEEN, de omvangrijke roman van de eenendertigjarige Duitse auteur Helmut Krausser, ontdekt de zestiende- eeuwse Italiaanse alchimist Castiglio de essentie van muziek. Door middel van een aantal melodieen weet hij de stemmingen van zijn toehoorders perfect te manipuleren. Castiglio kan er gedeprimeerden mee opvrolijken, mannen en vrouwen verliefd laten worden en zelfs zieken genezen. Als het aan de alchimist ligt, worden de melodieen aangewend tot heil van de mensheid, maar de machtigen der aarde denken daar anders over. Castiglio moet zijn ontdekking met de dood bekopen.

In de loop der volgende eeuwen gaan de melodieen een voor een verloren. De beroemde zeventiende-eeuwse castraatzanger Antonio Pasqualini komt in het bezit van twee ervan en misbruikt deze op gruwelijke wijze om zich op het vrouwelijk geslacht te wreken voor de verminking die hem is aangedaan. Een eeuw later krijgt Mozart er een van te horen. Ze inspireert hem tot componeren. Weer honderd jaar later speelt de laatst overgebleven melodie een sleutelrol bij het ontstaan van een van Richard Wagners opera’s, die op haar beurt Adolf Hitler inspireert.
Melodieen is een roman die vijf eeuwen en verscheidene hoofdpersonages omspant, en heeft een raamvertelling die in de jaren tachtig van deze eeuw is gesitueerd. Krausser schreef hiermee echter niet zozeer een roman over het wezen van de muziek alswel over de mogelijkheid kennis in goede of kwade zin aan te wenden. Wat slechts aan enkelen bekend is, blijkt zelden een zegen voor iedereen te zijn.
Helmut Krausser heeft inmiddels reeds vier romans gepubliceerd, die onder meer in het milieu van daklozen en van gokverslaafden spelen. Tot aan het verschijnen van Melodieen had hij weliswaar al een aardige reputatie als literair enfant terrible opgebouwd, maar gold hij ook als een eerder onbetekenend en vooral slecht verkopend auteur. Het bijna achthonderd pagina’s tellende Melodieen heeft daar in een klap verandering in gebracht. In Duitsland gingen inmiddels meer dan dertigduizend exemplaren over de toonbank. Vertalingen volgden, waaronder onlangs de Nederlandse.
WIE AAN DE roman begint moet door de setting van het verhaal - Italie en de middeleeuwen - direct denken aan een vroegere internationale bestseller, Umberto Eco’s ‘De naam van de roos’. Is zo'n voor de hand liggende associatie niet nadelig gebleken voor de ontvangst van uw boek?
Helmut Krausser: 'Ik heb wel een aantal keren te horen gekregen dat ik voor een tweede Eco wilde doorgaan, maar over het algemeen is men er niet zo over gevallen. Zelf was ik me al tijdens het schrijven bewust van het feit dat men een vergelijking met De naam van de roos zou gaan trekken. Ik heb daarom enkele grapjes in het verhaal ingebouwd. Zo leent Castiglio voortdurend geld van een vriend van hem die, net als Eco in onze tijd, in de bibliotheek van Bologna werkt en die Umberto heet. Er komt in De naam van de roos een scene voor waarin de abt van het klooster de hoofdpersoon een aantal relikwieen toont. In mijn roman doet een andere abt hetzelfde. Hij toont Castiglio het schaambeen en de oogholten van Johannes de Doper. Onzin natuurlijk, want hoe kun je in hemelsnaam oogholten bewaren? Op die manier heb ik de kritiek als zou ik een tweede Eco willen worden een beetje proberen te ondervangen, maar helaas heeft bijna niemand die grapjes opgemerkt.’
'Melodieen’ is in zijn geheel een vrij humoristisch boek, wat voor en roman van achthonderd bladzijden misschien geen overbodige luxe is.
'Ik kan zelf geen dikke boeken lezen, daarom schrijf ik ze maar. Aan De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, die in Duitse vertaling een groot succes was en die ik best had willen lezen, ben ik niet eens begonnen. Om het de lezer van mijn boek gemakkelijker te maken, heb ik getracht wat humor in het verhaal te verwerken. Bovendien is Melodieen in wezen een persiflage op de magie en de wetenschap, dus past die humor er wel in.’
CASTIGLIO IS EEN alchimist die niet op zoek gaat naar de steen der wijzen of het middel om onedel metaal in goud te veranderen, maar naar het wezen van de muziek. Waardoor raakte u zelf gefascineerd door dit thema?
'Ik ben geen musicoloog, maar ik ben wel geobsedeerd door muziek. Ik luister er veel naar en lees er veel over. Bovendien heb ik jarenlang in de Opera van Munchen gewerkt. Iedereen bezwijkt elke dag wel minstens een keer voor de betovering van muziek. Weinig dingen kunnen onze stemming zo plots en zo grondig beinvloeden als muziek, en toch kan de wetenschap nog altijd niet verklaren waarom een melodie dat effect heeft. De nazi’s waren hevig gefascineerd door de werking van muziek. Hun Reichsparteitage werden altijd omlijst met pompeuze fanfares die marsmuziek ten gehore brachten. Ze probeerden op die manier doelbewust de stemming van de massa’s te beinvloeden. De katholieke kerk doet in wezen hetzelfde.
Wat dat effect precies veroorzaakt, weten we niet, maar men weet wel dat het te maken heeft met de melodie. En de melodie als zodanig is nog niet zo oud. In feite stamt ze uit het einde van de zestiende eeuw. Toen werd ze in zekere zin herontdekt, want in de oudheid kende men ze natuurlijk ook, maar tijdens de middeleeuwen is ze verloren gegaan. “Die Erfindung der Melodie ist das Heidentum in der Kunst”, schreef Nietzsche, een zin die ik helaas pas na de voltooiing van mijn roman las, anders had ik hem als motto gebruikt. In feite is de muziek dus een van de laatste witte plekken op de landkaart van de wetenschap.’
In uw roman wemelt het van de alchimisten, astrologen en kwakzalvers. Toch is het opvallend hoe wetenschappelijk ze allen in hun discipline te werk gaan. Zo bijgelovig was men volgens u dus niet?
'Astrologie en alchimie zijn in wezen de voorstadia van de moderne wetenschap. Ik laat op een gegeven moment Castiglio en de hofastroloog van de prins onder wiens bescherming hij staat, weliswaar op straat met elkaar ruzie maken en daarbij elkaars discipline als bijgeloof de grond in boren, maar in werkelijkheid dachten ze beiden, binnen bepaalde grenzen natuurlijk, volkomen logisch en wetenschappelijk. Er zijn boeken uit die tijd die men nu als occult beschouwt, maar die in feite aan de basis van wetenschappelijke ontdekkingen hebben gelegen. Een mooi voorbeeld is de Steganografie van de Duitse abt Trithemius, die in mijn roman nog even voorkomt. Dat was een boek over geheimschrift en codering, op grond waarvan tijdens de Tweede Wereldoorlog de beruchte geheime nazi-code is gebaseerd, maar die ook de geallieerden heeft geholpen deze te breken.’
U laat Castiglio beweren dat 'het getal de fetisj van de religie is’, maar geldt dat niet ook voor de wetenschap?
'In de tijd dat ik aan Melodieen schreef, heb ik me enorm verdiept in de numerologie, de kabbala en dies meer. Het is verbazingwekkend in wat voor merkwaardige gedachtenspinsels je verzeild kunt raken wanneer je in die methoden gelooft en ze consequent toepast. In de numerologie bijvoorbeeld heeft elke letter een equivalent onder de getallen, die op hun beurt weer een bepaalde betekenis hebben. Tel je de getallen die voor de letters van een woord staan op, dan krijg je weer een getal als uitkomst en de betekenis van dat eindgetal is de verborgen betekenis van het woord. Meestal werd deze methode met namen toegepast. Er zijn indertijd op het laatste moment bruiloften afgezegd omdat de naam van de bruidegom volgens de numerologie geldverspiller of nietsnut betekende. De moderne wetenschap kent ook een enorm belang toe aan getallen, maar in het dagelijks leven speelt die getallenleer geen rol meer. Gelukkig maar. Ik ben blij dat ik op een gegeven moment al die occulte boeken in de kast heb kunnen zetten en er niet meer naar hoefde om te kijken.
Wat ik met dit soort voorbeelden echter wilde aantonen, was hoe desastreus de gevolgen kunnen zijn wanneer een onderzoeker - of het nu een middeleeuwse magier of een moderne wetenschapper is - zich met bezetenheid in een doel vastbijt. Castiglio wordt zo'n bezetene wanneer hij naar het wezen der muziek gaat zoeken. Hij bestudeert heel precies het geluid dat copulerende geliefden maken, evenals dat van barende vrouwen. Dat is wat vreemd en onbeleefd, maar goed, het kan nog. Diezelfde objectiviteit legt hij echter ook aan de dag bij het luisteren naar de kreten van iemand die gemarteld wordt, en daar begint hij toch duidelijk een grens te overschrijden. Wat is nog het verschil tussen Castiglio en de SS- artsen in de concentratiekampen, die hetzelfde slechts op grotere schaal deden?’
AL DIE RARE THEORIEEN zijn uiteindelijk een kwestie van geloof. Geldt dat ook voor de magische melodieen? Bestaan ze niet echt?
'Castiglio is zich maar al te zeer bewust van het zogenaamde placebo-effect. Paracelsus zei al dat het geloof van de patient in de werkzaamheid van het medicijn en de arts de belangrijkste voorwaarde voor zijn genezing is. Voor de melodieen geldt dat eigenlijk ook. De luisteraar maakt ze mooi of lelijk, niet zozeer de muzikant die ze speelt. Castiglio heeft iets dergelijks in zijn enige gepubliceerde boek, De kunst der verwensing, geschreven. Vervloekingen hebben pas zin wanneer ze worden uitgesproken in het bijzijn van degene die men ermee wil treffen. Zijn angst en gepieker over de vervloeking zal hem op den duur vanzelf te gronde richten.
Castiglio heeft het geloof van onnozele halzen echter ook nodig om aan geld te komen. Hij doet zich voor als alchimist die beweert tin in goud te kunnen omzetten, maar na zijn zogenaamd geslaagde demonstratie aan het hof van de prins van een Noorditaliaans stadstaatje, is hij wel zo slim te beweren dat de methode verbeterd moet worden omdat ze in de huidige vorm meer kost aan grondstoffen dan ze aan goud oplevert. Wanneer hij zijn zin krijgt en een jaar lang mag gaan experimenteren, is hij zo sluw niet het onderste uit de kan te halen, maar na drie maanden zogenaamd eerlijk op te biechten dat hij gefaald heeft. De prins is hem erkentelijk voor zijn oprechtheid en steunt hem in zijn nieuwe project: het zoeken naar het wezen der muziek. Eigenlijk is hij gewoon een geniale oplichter.’
EEN BEETJE zoals zijn geestelijk vader? Tenslotte heeft u over uzelf tal van vreemde verhalen de wereld ingestuurd met het doel de aandacht van de media te trekken.
'Ik gaf ze wat om over te schrijven. Zo heb ik verteld dat ik de twaalfduizend mark die ik van staatswege als subsidie kreeg, er op een nacht in een casino heb doorgejaagd, wat ook zo was. Ik heb enorme speelschulden gehad, net zoals ik op mijn twintigste een jaar lang dakloos ben geweest en in plaats van onder de bruggen over de Isar te gaan slapen, voor mezelf een slaapplaatsje vond onder het dak van het Operagebouw. Als het warm weer was en de zon scheen fel, kon ik een stuk vlees braden op het glas van de koepel, terwijl ik ondertussen in Holderlin las. Heel romantisch, en zo ervoer ik het ook destijds, want ik heb gelukkig niet de ellende van de echte daklozen meegemaakt. Ik vertelde dat in de hoop dat mijn romans dan beter zouden verkopen. Het was een ijdele hoop.
Tegenwoordig is dat allemaal voorbij. Ik ben een braaf getrouwde burgervader geworden. Ik gok niet meer en heb al mijn schulden netjes afbetaald, ook bij die mensen die allang vergeten waren dat ze me ooit geld hadden geleend. Allemaal vreselijk saai.’
U schreef met 'Melodieen’ een roman met verscheidene hoofdpersonages, ondanks het overwicht van Castiglio. Was het niet moeilijk u steeds in weer een ander karakter te verdiepen?
Krausser: 'Aanvankelijk wilde ik een roman schrijven over de zeventiende-eeuwse castraatzanger Antonio Pasqualini. Toen ik het idee kreeg voor Melodieen, heb ik die in feite gewoon in deze grotere roman laten opgaan. De overige karakters beschouw ik toch maar als nevenpersonages, naast Pasqualini heeft alleen Castiglio mijn bijzondere aandacht gekregen, en ook mijn sympathie. Ik vond het erg dat ik hem na honderden pagina’s moest laten sterven en ik heb me ook even afgevraagd of de lezer wel zou accepteren dat zijn held sterft.
Castiglio mag een oplichter zijn, net als de meeste succesvolle oplichters heeft hij een bepaalde charme en zijn oprechte wens de mensheid te laten delen in de kennis die hij vergaart, maakt hem sympathiek. Castiglio gelooft in een nieuwe, gouden eeuw, waarin de wetenschap de mensheid geluk en welvaart zal brengen. Hij wil dat zijn ontdekking van de magische melodieen hiervan deel zal uitmaken, maar in zijn naieve optimisme heeft deze voorloper van Faust geen rekening gehouden met de hebzucht van de machtigen van deze aarde. Zij willen de melodieen slechts ten eigen bate gebruiken. Daardoor verliezen ze hun heilzaam karakter en krijgen ze na verloop van tijd een bijna verwoestende uitwerking. Natuurlijk bestaan er geen magische melodieen, maar muziek kun je gemakkelijk verwisselen met kennis. Kennis of informatie is op zich nooit goed of slecht, het gaat maar om het gebruik dat je ervan maakt.’