Tovertuin der poëzie

Elders in dit blad wordt de kinderpoëzie aangeduid als een reservaat. Het lijkt mij een plek met een weelderige vegetatie: gedichten en hun bescheidener variant gedichtjes, rijmpjes, versjes, liedjes, bakerrijmen, wiegeliedjes, kietelversjes, doeliedjes. Met niet veel meer variatie dan verzen en gedichten steekt de poëzie voor volwassenen daarbij af als een keurig aangelegde stadstuin. Het besef dat poëzie naast betekenis ook klank, beweging en melodie is, is nergens zo levend als in het domein van de kinderpoëzie. Willem Wilmink - bij uitstek iemand die de band tussen poëzie en muziek graag laat zien - zegt er bijvoorbeeld over: ‘Je leest een gedicht zoals je naar populaire liedjes luistert: er zijn een paar woorden die opvallen, die zich vastzetten in je herinnering. Maar als je dan echt belangstelling krijgt, wil je ook weten welke woorden er om die opvallende woorden heen staan.’

Ook de de organisator van de Kinderboekenweek, CPNB, zag muziek in de poëzie en bracht ter gelegenheid van de Kinderboekenweek de cd Van rijm tot rap uit. Zangers uit de wereld van kleinkunst en popmuziek kozen hun favoriete gedicht en zetten dat op muziek. Het dichterlijke gezelschap is bont en het resultaat uiteraard divers, want afhankelijk van zoveel meer factoren dan alleen poëzie: muziek, stem, instrumentatie.
Dat Buddingh’ spektakel oplevert is niet verbazingwekkend, maar hier zet hij zijn vertolkers aan tot grootse vertoningen. Peter Zegveld schetst het droevige bestaan van de Halvemaanvis (‘heeft toch zo'n verdriet, omdat niemand hem eens voor vol aanziet’), begeleid door de oerklanken van een leeglopende badkuip en contrabasgeknars. Met uit de onderwereld oprijzende stem maakt Raymond van ’t Groenewoud van 'De blauwbilgorgel’ een soort clublied voor het Griezelgenootschap van Paul van Loon en consorten. Opvallend is ook hoe tijdloos 'De leeuw’ - 'Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is voor niemand’ - van de Schoolmeester is. Op het aangenaam schorre stemgeluid van Joost Belinfante en het fraaie oerwoudritme van gitaar en percussie zie je de leeuw voortschrijden.
Niet om aan te horen is rapper Def P., die met grof geweld en Amsterdamse tongval 'Jantje zag eens pruimen hangen’ in mootjes hakt. En de zeurstem van Frank Groothof maakt in combinatie met een treurig strijkkwartet iets potsierlijks van Leendert Witvliets verstilde vers over het onuitgesprokene tussen Suzan en Jan. Maar prachtig is dan weer de Brabantse warmte en genegenheid van V.O.F de Kunst bij de begrafenis van Nijntje’s Oma Pluis. Ontdaan van zijn bijna onuitwisbare visuele kant in de prentenboekjes wordt hier de bescheiden dichter Bruna zichtbaar. Al sinds 1955 - 'en op een hele warme avond/ toen kwam het klein konijntje/ zij trokken haar een jurkje aan/ en noemden haar toen Nijntje’ - draagt hij zijn steentje bij aan het poëtisch bewustzijn van kleine Nederlanders.
Maar de grote verrassing van het plaatje is de 'Berensonate’ van het a capella zingende herenkwartet Mezzo Macho. In een pingpongspel van opzwepende ritmes en raadselachtige tekstflarden, dat resulteert in een soort Afrikaanse bezweringsdans, worden langzaam maar zeker de contouren zichtbaar van de oer-Hollandse broodjes smerende beren. 'Twaze wondi, bovi wondi’ hoe die heren zingen konden.