‘In het zwart van de spiegel’, Peter Delpeut

Toverwerk

Op zoek naar Claude. Kortste samenvatting van deze verbluffende roman die het verhaal vertelt van een naamloze ik, filmer (net als schrijver Delpeut), wiens blik op de wereld zich letterlijk steeds meer verengt, hij begint blind te worden. De context van zijn waarneming, datgene wat zich aan de randen daarvan bevindt, versmalt zich. Symboliek uiteraard. Langzamerhand ziet hij de wereld door een steeds verder dichtslibbende kier en nog één keer onderneemt hij een poging het raadsel van landschapsschilder Claude Lorrain (1600-1682), in de kunstgeschiedenis vooral bekend onder zijn voornaam, te doorgronden en wie weet te verklaren. Hoe kreeg die dat fraaie licht zijn schilderijen in? Waarom was hij twee eeuwen na zijn dood onder de rijke adel in Engeland in de mode?

Verslag van een obsessie is dit, bijna achthonderd pagina’s lang, een dwingend relaas van een tocht langs Europese musea, langs Engelse landhuizen, langs resten van typische Claude-landschappen, omringd door kunsthistorisch onderzoek. Wat is er nog terug te vinden van het gevoel dat Claude moet hebben bevangen? Wat zag de ik-verteller er vroeger in, toen hij nog jong was en ambitieus en verliefd? Wat ziet hij er nu in? Waar is zijn voormalige vriendin H gebleven die hem vroeger op zijn reizen begeleidde en altijd zijn elitaire kunstverlangen bekritiseerde en waar hij nog steeds van houdt? En wat heeft Borges hiermee te maken, wat de beruchte Engelse spion Blunt, wat Jean-Jacques Rousseau en de Rode Brigade?

Al deze vragen komen in de roman aan de orde. Ga er maar aan staan. Deze roman is een levenswerk en hij is nog besmettelijk ook. Zelden las ik de afgelopen jaren een roman waarbij ik zoveel na zat te zoeken, ik wilde alles weten omdat ik het nu eenmaal wilde weten. Delpeut beschrijft aan de lopende band schilderijen en tekeningen van zijn geliefde schilders met op nummer één dus Claude. Veel illustraties staan er in de roman niet en als ze er zijn, zijn ze angstaanjagend klein. Opzoeken dus op Google, de een na de ander, klopt het wel, staan er echt een paar rare figuren op, is dat lieflijke meer van Poussin werkelijk glad terwijl het verder op het schilderij stormt? En is daar links inderdaad die Nederlandse schildervriend afgebeeld waarmee Claude jarenlang optrok?

Ik was er dus heel erg zoet mee, de wereld buiten deed er niet meer toe (kan af en toe helemaal geen kwaad) en ik leefde steeds meer met de voortjagende uitvoerige, op diepgaand onderzoek gebaseerde, vaak bijzonder originele en opgewekte beschouwingen die Delpeut voortdurend met het leven van de ik-verteller weet te verbinden. Kunstbeschouwing als levensbeschouwing. Schilderkunst en tuinarchitectuur als inzet van leven. Delpeut laat je naar kunst verlangen, nee, het gaat veel verder, kunst is het enige wat in dit boek telt. Over engagement gesproken! Je kunt hier natuurlijk om glimlachen, wie weet zelfs kwaad worden, het ligt er maar aan wat je onder engagement verstaat, maar bij mij overheerste grote bewondering. En een soort rare blijdschap die me bleef vergezellen en waarover ik iedereen begon lastig te vallen. Moet je horen, moet je horen. Wist je dat Claude en Poussin buren waren? Dit werk ging me dus niet in de kouwe kleren zitten. Zo over kunst schrijven, vergeten kunst ook nog, misschien zelfs achterhaalde en elitaire kunst, daar kun je alleen stil van worden om daarna zo snel je mogelijk je abonnement op Netflix op te zeggen.

Ga er maar aan staan. Deze roman is een levenswerk en hij is nog besmettelijk ook

Belangrijk element in de roman is de Claude-spiegel. Een merkwaardig apparaatje, het bestaat echt, kijk maar op Google, waarmee het mogelijk is structuur en diepgang in landschappen te zien. Het is een gebold spiegeltje dat schilders destijds meenamen om landschappen ‘beter’ te kunnen waarnemen. Je moest het in je hand houden en op het landschap richten, dan zag je het vanzelf. Alles berustte op een optische illusie, maar juist hierdoor konden zij de werkelijkheid goed naar hun hand zetten. Kunstenaars als werkelijkheidverbeteraars, de symboliek hiervan doortrekt dit hele boek. De ik bezit zo’n apparaatje en trekt ermee door de langzamerhand geheel overwoekerde landschappen waarnaar Claude, en anderen, ooit gekeken hebben. Wat zagen zij? Kun je het nog zien? Wat bezielde de latere kopers van de Claude-landschappen toen ze ineens al zijn werk gingen verzamelen? Dit alles dus vermengd met de levensgeschiedenis van deze oude filmer die zijn blik nog in stand probeert te houden.

Je kunt een roman als deze alleen schrijven wanneer je beschikt over een stijl die de absurde melancholie van het geheel laat glanzen en bloeien. Delpeut zet de stijl in van de golvende besprekingszinnen, die van de ene waarneming naar de andere glijden, die alsof het toevallig zo van pas komt, persoonlijke ontboezemingen, diepgravende kunstbeschouwing en ironische platvloersheden met elkaar vermengen. Nooit belachelijk kunstjargon, altijd speels en indringend.

Citeren heeft geen zin, kost hier te veel ruimte, je moet er als lezer zelf maar op uit gaan en je laten onderdompelen in dit toverwerk. Soms vreest de ik zelf ook dat de door Claude schitterend getekende bomen onder zijn beschouwingen zullen bezwijken. Maar gas terugnemen, ho maar. Over de Claude-spiegel schrijft hij, omdat hij bang is dat het allemaal te mystiek begint te worden: ‘Het lijkt zo eenvoudig, een zwart bolrond spiegeltje waarmee je naar een landschap kijkt, maar je begrijpt pas wat je ziet als je weet wat je erin moet zien.’ En precies dat laatste zet Delpeuts roman op onnavolgbare manier in scène.