Roger van de Velde

Toxicomaan met knetterschedel

Roger van de Velde stierf in 1970 aan een overdosis palfium. Hij bracht acht jaar van zijn leven door in psychiatrische inrichtingen. Zijn ervaringen beschreef hij in de roman ‘De knetterende schedels’ en het pamflet ‘Recht op antwoord’.

Mensen ontvallen ons op de meest onverwachte manieren. Niet alleen de dood, ook gevangenissen en inrichtingen onttrekken zielen aan hun vrienden, familieleden of colle ga’s. Zelden wordt meer van hun nieuwe leven vernomen, ook niet van de levenden onder hen. Zo kent de Nederlandse literatuur wel veel verbeelding vanuit de gesloten psychiatrische inrichting, maar weinig van zo'n inrichting annex gevangenis.

Net als Jan Arends prachtige Keefman vormen de verhalen in De knetterende schedels daarop een uitzondering. Samen met het pamflet Recht op antwoord vormen ze het hart van het oeuvre van de Vlaming Roger van de Velde. In een exuberante maar ook heldere stijl beschrijft hij lotgenoten en kleine voorvallen in de verscheidene psychiatrische inrichtingen waar hij de laatste acht jaar van zijn leven gedwongen doorbracht. In elke zin is het stempel herkenbaar dat de door Van de Velde bewonderde Willem Elsschot op zijn stijl drukt, zoals ook de Nederlandse uitgever, Elsschot-biograaf Vic van de Reyt, op de achterflap van deze nieuwe uitgave schrijft. Al als dertienjarig jongetje («misschien ben ik wel de kleinste Uwer bewonderaars maar ik weet dat het er bij U niets toe doet») schreef hij de literaire gigant een brief, die hij signeerde met: «Uw kruipende bewonderaar». Elsschot schonk hem per omgaande zijn Lijmen, waarbij de schrijver annex zakenman zich afvroeg of de maag van de kleine Roger dit werk al zou kunnen verteren. Vijf jaar later - de maag van Van de Velde was toen nog in orde - gaf Elsschot hem het advies «uitsluitend over mensen en dingen» te schrijven «die gij kent, en doe het zo sober, zo eerlijk mogelijk, zonder u te storen aan modeverschijnselen en de praat voor de vaak van geleerde estheten».

Sober is Van de Veldes schrijfstijl maar ten dele - hij put uit een reusachtig vocabulaire - maar voor het overige volgde de leerling nauwgezet de instructies van de meester. In De knetterende schedels paart hij een intense betrokkenheid aan afstandelijke, sobere en vlijmscherpe observaties. Hij ziet en hoort de meest verdekte en toch veelzeggende details, hij registreert de machtmachinaties van patiënten onderling; het goedkope gepsychologiseer van bewakers en psychiaters; de gevechten om een stoel of een spel; de nachtmerries en illusies van zijn lotgenoten - maar tegelijkertijd creëert de ik-persoon bewust afstand door in deze danteske hel watten in zijn oren te stoppen «om het kannibalistische lawaai in de zaal zo weinig mogelijk te horen».

De verhalen brengen Sjalamov in herinnering en diens barre Berichten uit Kolyma, een verslag vanuit het meest noordoostelijke puntje van Siberië, in korte hoofdstukken met titels als De eerste tand, Een makkie, In het badhuis en Gecondenseerde melk. Sjalamov vervat de verpletterende gruwelijkheden van Stalins kampen in koel geregistreerde petit histoires, waar door de gruwel des te dieper doordringt tot het bewustzijn van een in riante omstandigheden verkerende lezer thuis. Natuurlijk zijn de wandaden van de Goelag van een andere orde dan die in het Vlaamse psychiatrische gevangeniswezen, maar Van de Velde maakt de lezer op even koele als effectieve wijze deelgenoot van zijn lijden. En net als in Berichten uit Kolyma vinden we in De knetterende schedels prachtige portretten. Van de landschapsschilder en latere constructivist Gerard Brasseur bijvoorbeeld, die zich van de «colporteurs in goede raad» - zoals Van de Velde psychiaters noemt - mocht blijven uitleven op het doek in een speciaal daartoe ingerichte cel; met desastreuze gevolgen. En Bernard Delcourt, «een bloedarme vijftiger met een lachwekkende en volkomen nutteloze krans van rossige haartjes rondom zijn kale schedel en een ijzeren lorgnet boven een neus als een blikopener», die met chlorpromazine stil wordt gehouden, maar uiteindelijk wordt geveld door een «sirop pectoral, dose forte», toegediend door een lompe bewaker.

Van de Velde raakte verslaafd aan palfium, een destijds onschuldig geacht medicijn dat hij eind jaren vijftig na een derde maagoperatie als pijnstiller kreeg voorgeschreven. Hij was toen al in de ban van de drank. In 1961 werd hij voor het eerst aan zijn naasten onttrokken door de «commissie ter bescherming van de maatschappij». Hij had niet alleen stomdronken achter het stuur gezeten, maar ook gerommeld met doktersrecepten om aan zijn genotmiddel te komen. De diagnose van de doktoren, die hem «een zuivere toxicomaan» noemden, luidde: «zware karakterstoornissen, gekenmerkt door instabiliteit, schizoïde introvertie en een oppervlakkige en pseudo-intellectuele levensinstelling zonder spontane emotionele reflexen; dit alles resulterend in een staat van erge geestesstoornis».

Met al deze ogenschijnlijk forse karakterfouten had Van de Velde sinds 1947 succesvol gewerkt op de redactie van de krant De nieuwe Gazet, waar zijn collega’s hem roemden om zijn snelheid van werken en zijn veelzijdigheid. Van verkeersongelukken tot wielerwedstrijden, hij deed overal verslag van, en schreef daarnaast zowel commentaren als toneelrecensies als cursiefjes. Zijn eerste boek, Galgen aas, voltooide hij in de gevangenis. De autoriteiten waren er niet blij mee, en legden Van de Velde censuur op. Zijn geschriften mochten de gevangenis niet meer verlaten en een schrijfmachine werd hem geweigerd. Toch wist de schrijver altijd weer een manier te vinden om zijn verhalen gepubliceerd te krijgen. De knetterende schedels verscheen in 1969, een jaar voor zijn dood. En Recht op antwoord, zijn pamflet tegen de wijze waarop in psychiatrische inrichtingen patiënten werden «behandeld» (slechts medicatie en repressie), een woord dat Van de Velde een «grotesk versierd eufemisme» noemt, luidde een groot, nationaal protest in. Collega-schrijvers als Jeroen Brouwers en Walter van den Broeck zetten een publieke actie op. Zelfs de minister kwam eraan te pas, en op 2 april 1970 werd Roger van de Velde in vrijheid gesteld. Aan zijn verslaving had niemand in al die jaren iets gedaan.

Het was een nieuw soort vrijheid, waarin Vlamingen van aanzien zich over het lot van de rasrecidivist bekommerden. Van de Velde stemde na enige tegenzin in met een door hen (en het ministerie!) betaald verblijf in de Jellinekkliniek, maar helaas, op 30 mei 1970, enke le weken voordat hij naar Amsterdam zou afreizen, stierf hij op een terras in Antwerpen aan een overdosis palfium. In De knetterende schedels had hij geschreven: «Als het erop aankomt de roerselen van de menselijke psyche te peilen, stel ik veel méér vertrouwen in dichters dan in dokters.» Dat was waarschijnlijk zijn pech, of misschien wel zijn geluk. Niemand zal het ooit weten.

Roger van de Velde

De knetterende schedels

Uitg. Nijgh & Van Ditmar, 203 blz., € 18,50