Sport

Traan

Wat nou Máxima? Het geheugen is wat nonchalant, maar het was bij een of andere dramatische gebeurtenis – haar bruiloft misschien – dat de prinses, door ontroedering overmand, zichtbaar voor de wereld aan de andere kant van de camera, iets uit haar oog deed glijden dat langzaam over haar wang afdaalde, in de richting van de neusvleugel, die het niet bereikte omdat het onderweg werd gegrepen door een wit zakdoekje.
De traan. Excuus, de Traan. Hij ging rechtstreeks de wereld rond en lag de volgende dag op dvd, cd, blu-ray en vhs en op floppydisk in de winkel. Nederland sprak weer een woordje mee op mondiaal niveau. Dankzij het biggelen van die ene traan.
Mooi, dat biggelen. Dat tranen dat kunnen. Weinig andere dingen kunnen biggelen. Heel soms zie je in een ver land een bijna uitgestorven kleine diersoort het wel eens doen, maar dat is vaak per ongeluk. Het echte serieuze biggelen komt slechts bij tranen voor.
Maar er zijn mooiere tranen dan die van Máxima. En natuurlijk vinden we die in de sport. Een grandioos bewijs daarvan zagen we in Parijs, in het stadion Philippe Chatrier, het centre court van tennistempel Roland Garros. Daar, op het hete gravel, won Roger Federer de finale en dus het toernooi, dat een grand slam-toernooi is. Hij had Roland Garros nog nooit gewonnen, dus met deze zege zette Federer de kroon op zijn carrière.
Dat deed hem wel iets. En dat zagen we. Federer was na de laatste bal uitzinnig, stortte ter aarde, knielde. Daarna kwam er een soort verstilling over hem, een zen-achtige rust, die stolde in twee Tranen. Het publiek juichte hem toe en Federer leek in een cocon van geïmplodeerde euforie te zitten terwijl hij het applaus over zich heen liet klateren. Met die tranen op zijn wangen.
De traan fungeert als closure, als afsluiting, de afronding van een sportprestatie. Een buitengewone prestatie meestal, want een beetje sporter gaat niet staan grienen na een slappe remise. Pas bij extreme winst of pijnlijk verlies doemt de traan op. Zoals bij Federer.
Op de bloedstollende foto van Reuters die groot in de krant stond, kijkt Koning Roger ons aan, met ogenschijnlijk strakke maar waarschijnlijk trillende lippen, een wazige blik en twee tranen onder zijn ogen, die onder het linkeroog (voor de kijkers rechts) is al iets verder afgedaald dan de andere. En het allermooiste: Federers vochtige ogen.
Het vochtige oog herbergt een nog niet helemaal traan geworden traan. Het onderste ooglid vormt een klein bassin, waarin zich het weenwater verzamelt. Het peil stijgt – van sportontroering – totdat het reservoir vol is en overstroomt. Dan transformeert het traanwater zich tot een werkelijke traan, of tranen, waar dan later eventueel nog tuiten bij kunnen komen.
Maar liever niet. Je zou misschien denken dat de traan en de tuit zijn als Eltingh en Haarhuis, onafscheidelijk en tezamen vrijwel onverslaanbaar, maar dat is niet zo. De tuit zit de traan in de weg. De echte, ware, eenzame traan wordt in zijn bestaan gehinderd door tuiten, die meestal in groepsverband komen.
De traan moet niet gaan lijden aan de branchevervaging die – bijvoorbeeld – het juichen zo parten speelt: door steeds uitzinniger juichen en jubelen om steeds minder buitengewone prestaties vindt een enorme inflatie plaats. We vinden de voetballer die met een frommelgoal in de 37ste minuut de stand van 4-0 op 4-1 brengt en dus met zijn shirt over zijn kop drie salto’s maakt van blijdschap eerder sneu dan bewonderenswaardig.
Dat mag met de traan niet gebeuren. Die moet soeverein blijven. Hij moet het liefst alleen zijn, zonder tuiten. Geen traanstellerij. Ook hier is beperking een bewijs van meesterschap. Zie Roger Federer: één traan per oog. Niet te groot, maar ook niet te klein. Geen vertrokken kop erbij, maar sereen kijken, hoe wazig ook; hoogstens volgt een ingehouden slikken.
Geen tuit te bekennen bij Federer. Zijn tranen zijn de mooie, echte tranen, van het verheven type.
Een wit zakdoekje zoals Máxima dat gebruikte zal de sporter achterwege laten. Het staat te lullig, en daarbij: de sporttraan moet zijn baan kunnen afmaken, over de hele wang, langs de neus, tot op de lippen. Heel misschien nog één of twee erbij, maar dan moet het afgelopen zijn. En afsluiten met een zucht, een diepe, onvaste zucht, die hortend vanuit de tenen komt.