Ieder jaar begint hetzelfde: een leger aan sterke personages staat in mij op en roept mij tot de orde. De rest van het jaar ben ik bezig die tot zwijgen te brengen, nadat ik vergeefs heb geprobeerd ze het naar de zin te maken. Mary McCarthy, roemrucht schrijfster van satirische romans, nooit te beroerd om een vendetta te beginnen, oorlogsverslaggeefster in Vietnam, boven op Watergate, harten gebroken van hele grote mannen onder wie onze eigen Hans van Mierlo, hartsvriendin van Hannah Arendt, woonachtig in New York én Parijs, en kind aan huis in Venetië, afijn wat al niet, een literaire piranha werd ze genoemd, ik moet weer veel aan haar denken en dan vooral natuurlijk omdat ik zo op haar lijk.
Niet aan zelfspot doen, zegt Femke Halsema.
Na afloop van een debatavond raakte ik in gesprek met een collega-criticus. Of eigenlijk criticus-áf want ze had besloten op te houden met recenseren.
De beste criticus is de criticus-in-ruste, zegt Kees Fens.
Ze was er wakker van gaan liggen, was te vaak gaan twijfelen over haar oordeel, had dan weer spijt, last van een kwaad geweten, recensentenleed kortom waar het gemiddelde schrijversleed bij verbleekt. Nu wilde het toeval dat ik op mijn beurt vele nachten wakker had gelegen van de recensie die zij ooit over mij had geschreven. Ik wist niet zeker of zij zich dat nog kon herinneren. Voor hetzelfde geld vertelde ze mij dit allemaal zo omstandig omdat ze zich dit nog heel goed kon herinneren, en was dit haar manier om mij mild te stemmen, of zelfs: het goed te maken.
Niet alles op jezelf betrekken, zegt Virginia Woolf. De bomen en de dingen ook gewoon in zichzelf beschouwen.
Even overwoog ik om het gewoon maar ter sprake te brengen, Jezus wat een bevrijding zou dat zijn, ook voor al die mensen in mijn omgeving die al driehonderd keer mijn gezeur over die recensie van destijds hebben moeten aanhoren.
Alleen over de positieve recensies praten, zegt mijn uitgever.
Ik had weliswaar die recensie nooit helemaal gelezen, maar ik had in die tijd een vriendin die in opleiding was om radiojournaliste te worden. Ze moest zich oefenen in het zogenaamde confronterende interview, en of ik als proefpersoon wilde fungeren. Als lokkertje zei ze erbij dat haar docente, Judith Bosch, mij dan ook meteen een mediatraining kon geven. Eenmaal tegenover haar in de studio begon die vriendin mij op haar allerlangzaamst - ze had toch al een heel nadrukkelijke dictie, ik weet niet hoe het nu is, ik heb haar erna nooit meer gezien - de allerergste passages uit die recensie voor te lezen.
Hier, zegt Judith Bosch. Heb je een zakdoek.
En nu dus de aanstichtster van dit alles tegenover me, glaasje wijn, ladida, vervuld van ootmoed en spijt, of van argeloze babbelzucht. Ik schraapte mijn keel, wachtte een natuurlijke pauze in haar voortmeanderende monoloog af, twijfelde nog even hoe het een en ander aan te snijden…
Zeg eens iets normaal, zegt mijn dochter. Niet als je al helemaal kwaad bent.
… toen ze iets onvergeeflijk stoms zei. Namelijk dat ik toch ook wel wist hoe dat gaat soms. Je hebt haast, je hebt een pesthumeur, je moet eigenlijk de deur uit, honderd dingen doen, en dan moet je ook nog die recensie schrijven…
De beste criticus is de criticus-in-ruste, zegt ook Hans Goedkoop.
Ik knikte, lachte, maakte een pauselijk handgebaar, en dacht: amateur. Je bent gewoon een amateur. Heb ik daar wakker van gelegen?
Dus ja, zei ze, wat schrijf je dan…
Jahaha, zei ik, wat schrijf je dan…
En ze vroeg of ik op Facebook zat.
Om te weten wie je bent, moet je veel leren, zegt Arnon Grunberg.
Het feit dat Mary McCarthy pertinent weigerde om met plastic te betalen, terwijl het gebruik van de creditcard in haar tijd wild om zich heen greep, zegt alles over haar oerconservatieve inborst. Of angst voor verandering. Ze was er bang voor, voor die creditcard. Net als voor de keukenmachine. Waarom niet gewoon het groentemesje gehanteerd? Waar is al die nieuwigheid goed voor?
Je wordt wat je al was, zegt Hannah Arendt.
Ik weet wel waar het allemaal goed voor is. Dat je met de halve wereld bevriend kunt zijn. Dat je reclame kunt maken voor je eigen boeken. Ooit trok een schrijver zich terug om in opperst isolement, met een koptelefoon op zijn hoofd desnoods of de stofzuiger aan, aan een boek te werken. Nu heeft hij een podium voor zichzelf gecreëerd waarop iedereen hem aan het werk kan zien. Ooit probeerde een literair criticus zich zo min mogelijk te encanailleren met degenen over wie hij misschien ooit een oordeel zou moeten vellen in de krant. Nu laat hij zich op zijn verjaardag op zijn Facebook-pagina feliciteren door zeshonderd schrijvende vrienden.
Ik zit niet op Facebook, zei ik. Mis ik iets?
Kom je bed uit, zegt mijn moeder. Een beetje erbij blijven.