Ger Groot

Tragedie

Op 10 februari 1949 ging in New York Arthur Millers Death of a Salesman in première, midden in de eeuw waarvan het een van de indrukwekkendste tragedies is gebleven. Niet omdat het een van de grote catastrofes daarvan behandelde. De Tweede Wereldoorlog ligt in het stuk nog achter de horizon en de doodskampen van de nazi’s zouden bij Miller pas vijftien jaar later in After the Fall verschijnen.

Death of a Salesman is de tragedie van de «common man», zoals Miller het stuk twee weken na de première in The New York Times noemde. Dat was op zich al een kleine revolutie. Tragedies waren van oudsher voorbehouden aan hooggeplaatste personages. Volkse protagonisten waren er voor de komedie en de klucht, al had Georg Büchner bijna anderhalve eeuw eerder in Woyzeck op deze democratisering al een voorschot genomen.

Amerikaans was de voltooiing daarvan in de figuur van Willy Loman ten volle. De emancipatie van de kleine man was van oudsher de trots van het land: ieder kon worden wat hij wilde, als hij het maar wilde. Maar juist daarin ging het bij Willy Loman jammerlijk mis. Hij wilde wel en zag zich al in zijn zoons triomferen — terwijl intussen zijn situatie uitzichtlozer werd en zijn zoons steeds minder wilden deugen. Zelfs zijn eigen offerdood bracht daarin geen verandering.

Death of a Salesman is de ontmaskering van de droom van wilskracht en merito cratie, en daarin het treurspel van een eeuw die gaandeweg Amerikaanser werd. In het tragische genre kan dat moeilijk anders. Het is bij uitstek het toneel van de gefnuikte ambitie, de zelfvernietigende intenties en het fatale menselijke tekort. Als het, zoals Nietzsche bij nader inzien meende, al niet pessimistisch van inslag is, dan alleen omdat de toeschouwer met dat manco leert te leven zonder zich erdoor te laten overrompelen.

Bijster Amerikaans is dat in ieder geval niet meer, zoals president Bush vorige week opnieuw duidelijk heeft gemaakt. Pessimisme komt gevaarlijk dicht in de buurt van onvaderlandslievendheid: een uitgangspunt dat de Iraakse kwestie verre overstijgt en in het hart ligt van de droom en het geloof van het land. Arthur Miller moet zich daarvan scherp bewust zijn geweest. In datzelfde artikel Tragedy and the Common Man legt hij uit dat de tragedie allerminst een neerslachtig genre is. Het is, integendeel, optimistisch omdat het gelooft in «the perfectibility of man».

Dát ziet de toeschouwer er niet onmiddellijk aan af, en daarom legt Miller het precies een maand later in diezelfde krant nog eens uit. «Een tragedie ontstaat wanneer we iemand zien die er niet in is geslaagd zijn vreugde te verwezenlijken», schrijft hij. «Maar die vreugde moet er wel zijn: de belofte van de juiste manier van leven.» Dat juist die belofte catastrofaal kan zijn — Willy Loman doet niets anders dan leven op de manier die hem als juist is voorgehouden — is de tragische boodschap die Miller in 1949 glashard ontkent.

Hij is de enige niet gebleven. Ruim 35 jaar later zou Martha Nussbaum in The Fragility of Goodness even Amerikaans insisteren op de opbouwende en positieve betekenis van de tragedie. Miller had waarschijnlijk nog meer redenen om dat te doen. Ten tijde van de première was de jacht van senator McCarthy op on-Amerikaanse activiteiten nog niet op zijn hoogtepunt, maar liet zich al wel voelen.

Miller zou niet aan de aandacht van de commissie ontsnappen, al kwam hij precies een jaar na de première nóg een keer op de Salesman terug. Het speet hem, schreef hij, dat hij de self-realisation van Willy’s oudste zoon Biff niet duidelijker naar voren had laten komen, als tegenwicht tegen diens ondergang. Van zo’n zelfverwerkelijking merkt de toeschouwer inderdaad zo goed als niets.

Was het een leugentje om bestwil of een bekentenis van onvermogen? Het vermoeden van het laatste dringt zich op, wanneer Miller in hetzelfde artikel beschrijft hoe hij, na voltooiing van het stuk, zijn vrouw een «hilarische scène» voorleest en bij haar, wanneer hij opkijkt, de tranen van mede leven over de wangen ziet lopen. De tragedie van de Amerikaanse twintigste eeuw werd Death of a Salesman misschien alleen maar per ongeluk.