De oer-Griek

Tragedie in de circuspiste

Voor het Holland Festival van 1967 regisseert Erik Vos de Griekse tragedie Prometheus in de piste van Carré. Vier jaar eerder wordt op dezelfde plek De Perzen speciaal voor het festival hernomen. Het zijn allebei Nederlandse premières. Want zo vaak als ‘de Grieken’ tegenwoordig worden gespeeld, zo ver en vreemd zijn die stukken voor het publiek van de jaren zestig.

Komend seizoen staan bij twee van onze grote stadsgezelschappen Griekse klassieken op het repertoire. Oedipous van Sophokles bij Toneelgroep Amsterdam, in de moderne aanpak van de jonge Brit Robert Icke. En de Oresteia van Aischylos bij het Nationale Theater, de afscheidsregie van Theu Boermans. Uit de jaaroverzichten van het Nederlandse toneel uit de decennia direct na de oorlog blijkt hoe bijzonder die tegenwoordige belangstelling voor de klassieke Grieken is. Je komt ze in die jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw maar hoogst zelden tegen. Scènefoto’s uit die tijd van ‘de Grieken’ die wel werden gespeeld tonen uit de tijd gevallen beelden: strak vallende gewaden, maskers van papier-maché, decors van zuilen en trappen. De vertalingen zijn nog van ‘Tachtigers’ als P.C. Boutens of klankdichters als Jan Engelman. Of van Burgersdijk die zich na zijn vertaling van de volledige Shakespeare op de Grieken had gestort. De firma Philips beschikt in de jaren zestig over een grammofoonplatenlabel voor het gesproken woord, Parlando. Naast het werk van Vondel en Bredero kom je daar soms een ‘verdwaalde Griek’ tegen. Met de stemmen van nationale toneelberoemdheden als Ank van der Moer of Josephine van Gasteren. Stemmen uit een voorbije tijd, zingzegtoneel, ‘spreken op toon’, bezwerende monologen als aria’s uit een spreekopera. We kunnen ons er nauwelijks nog iets bij voorstellen.

Small prometheus

Op 25 juni 1953 schrijft Jeanne van Schaik-Willing, na de oorlog toneeljournalist bij De Groene Amsterdammer, onder de titel Oidipoes als draak, een artikel over de uitvoering van Sophokles’ stuk-der-stukken, een bijdrage van het Amsterdamse stadsgezelschap Nederlandse Comedie aan het Holland Festival. Een productie die in de zomer van dat jaar ‘meegenomen’ zal worden naar een internationale toneelmanifestatie in Parijs, een zeldzaamheid in die jaren. Vanuit haar weinig zachtzinnige kritiek op de voorstelling ontwikkelt Van Schaik-Willing in dat artikel iets wat nog het meest lijkt op een beginselprogramma van verlangens en wensen over hoe het wel zou kunnen, de Grieken spelen. Ze schrijft: ‘De quintessence van de Griekse poëet is dat hij ons een klare, heldere wereld toont, groot en schoon. Romantische bijgedachten over het leven waren ook nog helemaal niet uitgevonden. De wereld kon slechts zijn zonder meer, duidelijk afgebakend, streng, niet ondergedompeld in een stemming. (…) Zo schreden de mensen in de tragedie voor ons uit in heel hun archaïsche ongebroken oerkracht. De dingen werden beleefd, niet betheoretiseerd. De tragediedichters zochten in hun mythologie naar een resonanswerking die de bodem van de oertijd raakte.’ Misschien is er in die jaren een bijzondere combinatie van omstandigheden nodig om die bodem van de oertijd terug te vinden. En die komt er. Het wordt de combinatie van een magische ruimte en een geritualiseerde, fysieke en muzikale uitvoeringspraktijk. Onder leiding van een brutaal en moedig kunstenaar. Hij laat van bordkarton een klassieke toneelarena bouwen in de piste van theater Carré. En hij hervindt het ritueel van gedanste teksten op muziek. De naam van de regisseur is Erik Vos.

Erik Vos (1929) besluit in 1950 zijn studie medicijnen stop te zetten. Hij vertrekt naar Parijs. Om acrobaat te worden of circusartiest of een mimespeler als Marcel Marceau, bij wie hij aanbelt en die hem doorverwijst naar de ‘school’ van Etienne Decroux. Vos schrijft over deze ‘uitvinder’ van de moderne mime in zijn toneelherinneringen In de arena (1999): ‘Waar ging het Decroux uiteindelijk om? Waarschijnlijk om iets dat niet bestond: le geste pur zoals hij het noemde, maar bestaat dat wel, het zuivere gebaar?’ En: ‘Decroux’ kracht lag in het onbekommerd binnentrekken in een duister gebied van onmogelijkheden. Of hij toeschouwers zou behagen interesseerde hem niet.’ In contact met een andere pionier, Edward Gordon Craig, geboren in 1872, een stokoude toneelhervormer op het moment dat Erik Vos hem voor het eerst ontmoet, komt hij op het spoor van de zoektocht naar de pure ruimte, het spel van het toneelpodium met de eenzame mens. Die elementen laten Vos niet meer los als hij, teruggekeerd in Amsterdam, de Toneelschool gaat volgen. Daar wordt hem verteld dat hij te houterig is om een speler te worden. Dat had Decroux hem ook al gezegd. Tu est en bois. ‘Van hout’ dus. Vos gaat regisseren.

Eerst bij het studententoneel in Groningen, waar hij onder meer teksten van Shakespeare (in 1955), Ionesco (in 1956) en uiteindelijk De Perzen (in 1957) van Aischylos ensceneert.

Toneelschooldirecteur Willy Pos bouwt op grond van de eerste regies van Vos rondom hem een regieopleiding binnen de Amsterdamse Toneelschool, de eerste in Nederland. In de zomer van 1956 vindt een ontmoeting plaats met de al eerder genoemde toneelvernieuwer Edward Gordon Craig, ‘een schaduwbeeld van de vorige eeuw, die leeft in de echo van zijn illusies’. Erik Vos schrijft over hem in zijn toneelherinneringen: ‘Terwijl hij bezig was zijn memoires te schrijven, stond ik nog maar aan het begin van mijn toneelbestaan. Ik herinner mij hoe hij naar mij keek en zei: I was once a perfect idiot. A genius is a man who can do everything – except anything that’s useful.

***

We schrijven 1963. En we zijn in Carré. Daar was ik nog maar één keer eerder geweest. Op mijn dertiende, samen met mijn moeder, tijdens het jaarlijkse uitje van de Roomskatholieke Bond van Boeren- en Tuindersvrouwen, naar de revue van René Sleeswijk, Snip & Snap. De glans van de eerste aanblik van dit overdonderende theater was er dus al vanaf. Maar er komt in 1963 wel een verrassing bij. De piste is leeggeruimd en de vloer beschilderd. Op de plek van het toneel en de toneellijst is een tot de nok reikende poort gebouwd (ontwerp: Wim Vesseur), die toegang biedt tot eindeloze trappen. Twintig figuren betreden de piste er voor. Geen mensen lijken het maar reuzen, groter dan stervelingen in ieder geval. Waanzinnige maskers dragen ze, met holle ogen en monden als uitgehakte spelonken. Gouden mantels hebben ze aan, met gesteven plooien. Ze bewegen in een golfbeweging over de vloer, en ze spreken, citeren lijkt het wel, koorteksten uit een heel ver toneelverleden, die zo ‘modern’ zijn vertaald dat ze je in je nek springen, ze blijven je bij, als goed geschreven krantenverslagen.

Niemand is in staat, een mensen-
stroom zó groot het hoofd te bieden
en de vloedgolf, onbestrijdbaar,
met een sterke dam te keren.
Ongenaakbaar zijn de Perzen
door de weerkracht van hun macht.
Daarom wordt mijn hart verscheurd,
zwart van rouw, door diepe vrees,
dat nog eens de kreet zal klinken
‘Wee het leger van de Perzen!’
in de grote stad van Sousa,
waar geen man meer over is.

Wat gebeurt hier?

Een koor van Perzische mannen schetst de kracht van het leger, hun leger, dat tegen de zwakkere Grieken optrekt. Ze zijn ongerust. Waar blijven de goede berichten van het front? Atossa, de moeder van de jonge vorst en legeraanvoerder Xerxes en weduwe van de oude koning Dareios, vertelt een droom vol vreeswekkende voorgevoelens. Dan komt de bode. Vanaf een heuvel heeft hij alles gezien. Het leger der ongenaakbare Perzen is afgeslacht door de kleinere maar slimmere troepenmacht der Grieken. In de historische slag in de baai van Salamis. Waar de schrijver Aischylos zelf meevocht aan de zijde der overwinnaars. Het koor smeekt de dode Dareios om raad. En daar doet de muziek van Rudolf Escher zijn ranselende werk: iets wat begint als een klaagzang gaat over in de bezwerend herhaalde uitroep: Koning verschijn! De gestorven vorst brengt slechts vermaningen.

Want bloei van overmoed zet kwade vrucht,
waarvan de maaier niets dan tranen oogst.
Gij, die de straf ziet voor zo zware schuld,
vergeet Athenai nooit en Hellas nooit!
Zeus heerst als strenge rechter en bestraft
hoogmoed die zich pralend te buiten gaat.
Vermaan daarom mijn zoon, die inzicht mist,
met goed gekozen raad tot matiging,
zodat hij ophoudt, met pralende durf
de goden uit te tarten door zijn trots.

Ik ben in 1963 een puberende boerenzoon zonder een spoor van klassieke opvoeding. Een leraar van mijn middelbare school heeft me meegenomen, hij heeft een kaartje over, ik neem zijn aanbod gretig aan. De Mattheüs Passion en Hamlet ken ik niet, mijn eerste Shakespeare (Midzomernachtsdroom) zie ik in datzelfde jaar voor het eerst, maar dan op televisie. Ik ben qua cultuur een onbeschreven blad. En toch, of misschien wel juist daardoor, ben ik die avond van De Perzen in maart 1963 nooit meer vergeten. Vijf jaar later lees ik in de geboekstaafde verslagen van toneelvoorstellingen door Groene-critica Jeanne van Schaik-Willing over De Perzen, over hoe het is geweest: ‘De bewegingen en ritmes van het koor worden obsederend toegepast. Woorden, bewegingen worden tot een vormengeheel waarbij persoonlijke emotionaliteit buitengesloten is. Het grote genot dat aan deze vertoning te beleven viel lag in de ongewone ervaring dat muzikale, plastische en literaire aandoeningen tot een geheel versmolten. Ik denk dat ik wel nooit zal vergeten hoe koningszoon Xerxes, een minuscuul, angstwekkend figuurtje, als een eenzaam insekt zich over de trappen bewoog en tenslotte als een vertrapte gouden krekel op de treden lag.’

Medium de perzen

In Erik Vos’ artistieke leven is De Perzen een keerpunt geweest. Het enorme publiekssucces (kaarten zijn niet aan te slepen, de voorstelling wordt opgenomen in het programma van het prestigieuze Holland Festival) maakt van hem een regisseur op wie wordt gelet. Maar een vervolg komt er niet. Andere en beter gesubsidieerde gezelschappen kapen zijn toneelspelers bij hem weg. Zijn eigen kleine ensemble wordt noodlijdend. Sollicitatiebrieven van Vos aan acht toneelgroepen worden niet eens beantwoord. Vos wordt gevraagd in Amerika te komen regisseren, hij en zijn familie vertrekken naar San Francisco. Waar hij (onder meer) opnieuw Aischylos ter hand neemt: Prometheus. Enkele jaren later wordt dat stuk opnieuw een voorstelling in Carré. De tweede ‘Griek’ in de circuspiste. Als ‘Nederlandse Toneelmanifestatie’, voor het Holland Festival van 1967.

***

Prometheus steelt het vuur van de Goden. Om het aan de mensen te geven. Waardoor die opeens over vonken beschikken, waaruit van alles komen zal. Voor de diefstal wordt hij zwaar bestraft. Aan een rots in een ruig en koud gebergte zal hij worden vastgeklonken. Een adelaar zal hem iedere dag opnieuw zijn lever uit het lijf scheuren. Die iedere nacht weer aangroeit tot de prooi voor de volgende dag. De huiver over deze feiten weet ik nog heel goed. Later gaat me die huiver worden uitgelegd als ‘catharsis’. Het koor van de dochters van de god der oceanen, Okeanos, komt langs om Prometheus op een eigenaardige manier te beklagen: mensen met het goddelijk vuur in hun bezit zijn niet te vertrouwen. Geen fijne ondersteuning van een zwaar gestrafte halfgod. Stof tot nadenken. Zit het stuk vol van. Er komt ene Io langs, een beklagenswaardige vrouw naar wie de Ionische zee is vernoemd. Zij is de door Zeus verkrachte en door diens vrouw Hera gestrafte gehoornde koe-vrouw, met een pijnlijke horzel in haar kop. Die haar eindeloos doet vluchten. Ze kan ook eindeloos ver vooruit zien. Ze weet wat haar te wachten staat. En wat Prometheus aan ellende wacht. Wim Vesseur, de pionier in het ontwerpen van ruimtes voor avontuurlijk toneel, heeft in Carré een rotslandschap aan de rand van een oceaan laten bouwen. Ook hier, net als bij De Perzen, heeft hij de kostuums en de maskers ontworpen. De muziek is deze keer van Jan van Vlijmen.

Wat mij door de jaren heen aan het toneel van Erik Vos is blijven fascineren is dat hij je als toeschouwer mee op reis neemt. Hij is gids, hij weet waar we heen gaan, hij kent de routekaart. Een pedant ventje is-ie ook wel. Hij weet het altijd beter. Maar als je je een beetje aan hem overlevert liggen er wijde horizonten voor je klaar. Hij werd in die jaren voor mij de leraar klassieke talen met ijzersterke en goed geschreven verhalen, die mij (vanwege een gemankeerde schoolloopbaan zonder klassieken) altijd onthouden waren. Hij leerde me luisteren naar de moderne hartenklop in een 2500 jaar oude tekst. En naar het discours dat die teksten huisvesten. Het is immers ook retorica op hoog niveau, die hier bedreven wordt. In de vertaling van (opnieuw) Evert Straat.

Prometheus Ik maakte een eind aan ’s mensen doodsverachting.
Koor Welke genezing vond gij voor die kwaal?
Prometheus Veel blinde hoop heb ik in hen gehuisvest.
Koor Een grote steun hebt gij de mens geschonken!
Prometheus En bovendien verschafte ik hem het vuur.
Koor Dit vluchtig wezen heeft ’t vuur dat vlamt?
Prometheus En dat hem vele kunsten leren zal.
Koor Ziet gij niet in hoezeer gij hebt gefaald?
Prometheus Wie buiten schot is heeft het makkelijk
te gispen en te manen wie zo diep
in de ellende zit.

Vrouwen vormen deze keer het koor, vijftien gemaskerde oceanendochters, met in mijn herinnering een soort zeewier en visnetten in hun merkwaardige uitmonstering. Op blote voeten lopen ze, zodat hun sluipende, schuifelende opkomst klinkt zoals Aischylos zijn titelheld het laat vertellen: ‘Hoor ik daar een geruis/ als van vogels dichtbij?’ Nooit ben ik dat vergeten, dat geluid van die zacht ruisende opkomst. Elisabeth Andersen, die Io speelde, vertelde me veel later: ‘Ik ging, voor ik op moest, altijd hoog boven in de zaal, achter het publiek, even luisteren naar de opkomst van het koor van de oceanendochters. Ze liepen op blote voeten. Dat geluid van het slepend schuifelen van die voetjes, ach, prachtig was dat! Als ik dat gehoord had kon ik die rol gaan spelen.’

Tot slot: de rol van Okeanos, oervader van het koor der oceanendochters, werd gespeeld door Albert van Dalsum, 78 op dat moment, een toneelspeler in ruste. Hij was zelf een stem uit een ver verleden, letterlijk de toneelman die wel uit een andere eeuw leek te komen, uit een toneeltijd van verouderde pathos. Maar hij was ook een reus, een theaterkolos, een expressionistisch vernieuwer die in de jaren twintig en dertig in het Nederlandse toneel werk van nieuwe schrijvers bracht – waaronder de Nederlandse première van de Dreigroschenoper van Brecht & Weill, slechts enkele maanden na de Berlijnse wereldpremière. Ik heb veel verhalen gehoord van leerlingen aan de Amsterdamse Toneelschool (zoals Jan Joris Lamers en Erik Vos zelf) die in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw figureerden in de jaarlijkse uitvoering van de ‘Gijsbrecht’, een traditie rond de jaarwisseling in de Amsterdamse Stadsschouwburg. In de ouderwetse regies van die tijd hielden Vondels verzen nauwelijks nog stand. Maar telkens wanneer Van Dalsum in zijn rol van broeder Willebrord, turend in de vlammenzee zijn brandend klooster stond te beklagen, dan gingen alle volontairs, figuranten en leerlingen even in de coulissen naar hem kijken en luisteren. ‘Alsof de oude Dal, zoals hij liefkozend werd genoemd, zélf in brand stond, zo intens waren zijn gevoelsuitbarstingen. Gebiologeerd heb ik daar iedere keer weer naar staan kijken’, vertelde Erik Vos.

In de Griekse mythe duikt de oceaangod uit zee op om de aan zijn rots gekluisterde Prometheus vermanend en kalmerend toe te spreken. Hoe zou Albert van Dalsum dat op de eerste dag van het werk aan Aischylos’ Prometheus aanpakken? Brandend van nieuwsgierigheid keken collega’s, medewerkers en ook regisseur Vos toe wat er ging gebeuren op de speelvloer van de Amsterdamse Vondelkerk naast het gelijknamige park, waar werd gerepeteerd. Erik Vos: ‘Hij deed zijn ogen dicht, wierp zijn hoofd achterover, gaf luidkeels een schreeuw en begon de imaginaire zee boven de kerkplavuizen te doorwaden. Zingend en half dansend leek hij rond te dobberen en gromde Aischylos’ teksten van 2500 jaar geleden. Hij kwam in botsing met een rijtje kerkstoelen, zoals de zee botst tegen de rotsen, en hij wendde zich af. In mijn verbeelding zag ik het schuim van de zee door de ruimte spatten, terwijl de ogen van Dal stijf dicht geklemd bleven.’

Hij had maar vijf boekpagina’s tekst. Als Prometheus hem razend toeroept: ‘Ga dan, vertrek!’ roept Okeanos terug: ‘Gij roept dat iemand toe die al op weg is.’ Vier jaar later, in 1971, is Albert van Dalsum gestorven. In datzelfde jaar, in diezelfde herfst, richt Erik Vos met vijf vertrouwelingen Toneelgroep De Appel op.

Maar dát is weer een heel ander verhaal.