toneel: Berenice

Tragedie zonder lijk

Het International Thea­ter School Festival ITs barst komend weekend los. Daarin onder meer de voorstelling Berenice (1670) van tragedie­schrijver Jean Racine in de ooit voor Pierre Audi gemaakte (onberijmde) vertaling van Janine Brogt en in de enscenering van afstuderend regisseur Olivier Diepenhorst (1984). Die ervan houdt zich te meten met klassieke stof.

Dat is Berenice bij uitstek. De Duitse regisseur Klaus-Michaël Grüber vertelde ooit dat hij aan de hand van deze tragedietekst leerde dat het mogelijk is: huilen in alexandrijnen. Het wenen wordt in dit stuk overigens vooral verdrongen. Er wordt in zesvoetige jamben over alle denkbare oorzaken van verdriet gesproken. En er valt geen enkel lijk. Aan het eind gaat men na veel gelamenteer uiteen. De protagonisten zullen elkaar nooit terugzien. Het laatste woord dat valt is: ‘helaas’. Het verhaal is sneller verteld dan verklaard. Titus, een Romeinse stedendwinger in het Midden-Oosten aan het begin van onze jaartelling, staat op het punt keizer te worden. Staatsraison dwingt hem af te zien van een verbintenis met de Palestijnse koningin Berenice, de liefde van zijn leven. Oriëntaalse koninginnen zijn sinds Cleopatra in Rome namelijk persona non grata. Berenice mag rechtsomkeert naar huis met Antiochus, Titus’ jeugdvriend en op haar al jaren in het geniep smoorverliefd. Zij echter behoudt haar trots, ook al is het een diep gekwetste trots. Berenice gaat alleen huiswaarts.

Te midden van de kale, zwarte wanden van de oude snijzaal in het voormalige Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam heeft decorontwerper Lisanne Hakkers een glazen doos geplaatst met een pluizig dak waarin bij aanvang driftig wordt gepulkt – een simpel maar scherp beeld voor de staat van verhoogde nerveuze drift waarin de drie protagonisten verkeren. De verzenuwing van ver onder de gordel weggesnoerde passies en emoties wordt straf en streng doorgevoerd. Voor die worsteling heeft regisseur Diepenhorst zijn acteurs een reeks fysieke tics als tegenkleur meegegeven waarmee ze als het ware gedwongen worden te jongleren. Medeminnaar Antiochus wordt door Thomas Höppener gespeeld met een zweterig spasme, alsof ergens in zijn lijf een duivelse kracht de besturing heeft overgenomen. De titelfiguur Berenice, een prachtrol van Appel-actrice Nadia Amin, wordt neergezet als een statig standbeeld dat permanent kronkelende toevallen heeft. En Jan-Paul Buijs (Titus) is een en al lijf geworden passie die in toom moet worden gehouden met een rationaliteit die voor hem een kwelling van zichzelf is geworden. De spelerslichamen lijken vaak ergens anders uit te komen dan daar waar de woorden hen brengen. Alledrie hebben ze een vertrouweling die hier geweldig wordt vertolkt door een en dezelfde actrice, Ellen Parren. Zij is afwisselend klankbord voor hun waanzin en roeptoeter voor hun wanhoop. Er wordt bij grote, wervelende vlagen prachtig gespeeld in een mise-en-scène die soms net iets te grof gepenseeld lijkt en dan weer erg raak. Waarom de muzikale ondersteuning tegen het eind van de vertoning zo kakafonisch uit de klauw moet lopen ten koste van tekst en acteurs begreep ik niet zo goed, het effect werkte op mij als onbedoelde anticlimax. Maar als proeve van waar de jonge regisseur met zijn spelers nu staat, is Berenice zeer de moeite waard.


Berenice van Racine is op 27 juni nog te zien op het ITs Festival, itsfestivalamsterdam.com