Tragische jonge goden

Tim Krabbé
Marte Jacobs
Prometheus, 165 blz., € 16,95

In zijn nieuwe roman Marte Jacobs grijpt Tim Krabbé terug op een thema dat hij in zijn eerste roman, uit 1967, al beproefde. In De werkelijke moord op Kitty Duisenberg laat hij een jongeman van 23 verliefd worden op een meisje van veertien. Daar vertelt hij nog een tamelijk ingewikkeld verhaal, vol verwikkelingen, moord en doodslag en toestanden die je alleen in romans kunt verwachten. Aan dit nieuwste boek kun je aflezen hoe sterk hij zich heeft ontwikkeld. Het verhaal is nu eenvoudig: een half mislukte dichter kijkt terug op zijn verliefdheid op een veel jonger meisje dat later zelfmoord pleegde. Een mooi maar tragisch gegeven, misschien op de rand van het melodrama, dat Krabbé ingetogen en naar het einde toe zelfs voorzichtig tastend uitwerkt. Wat een verschil met dat eerste boek, maar ja, hoe oud was Krabbé toen? De verloren geliefde en de zoektocht ernaar is een thema dat deze veelzijdige schrijver vaker gebruikte. In Flanagan of het einde van een beest (1970) duikt het al op, in Vertraging (1994) zoekt iemand een oude vriendin op, in het zeer succesvolle Het gouden ei (1984) verdwijnt bij een benzinestation de geliefde van de held, in De grot (1997) is het thema weer prominent aanwezig, om over Kathy’s dochter uit 2002 maar te zwijgen.

De zoektocht naar de verloren geliefde, het is een archaïsch thema uit de literatuur, zie bij ons het werk van Vestdijk, Slauerhoff, Achterberg, en recent romans van Herman Stevens en Stephan Enter, ik sla er nu vast en zeker velen over. Krabbé slaagt er keer op keer in, de ene keer beter dan de andere, dit thema voor zijn karretje te spannen. Zou het de moeite lonen in zijn biografie te gaan zoeken naar een geliefde die hij nooit heeft kunnen vergeten? Wie weet, maar het maakt niet uit. Hij weet als schrijver dat veel mannen en vrouwen zich af en toe hun oude verliefdheden herinneren en er na veel wijn en wanneer het aan tafel eindelijk stil geworden is erg sentimenteel over kunnen worden. Hij weet dat hij met dit thema het publiek direct bij het nekvel pakt. Kom op, lees en huiver en herinner je je eigen mislukkingen en vernederingen op dit gebied! Hij weet als geen ander waar de hang-ups van zijn publiek liggen.

In Kathy’s dochter vond ik dit thema niet erg indringend uitgewerkt, misschien omdat Krabbé toen als verteller een schrijver aan het woord liet die nogal zelfingenomen was en steeds met enig vertoon van superioriteit naar zijn oude liefde terugkeek. Maar bij dit boek ging het bij mij anders, al duurde het even. Het begint met de volgende zinnen: ‘Emile Binenbaum, de dichter, las weinig proza. En al helemaal geen Nederlands proza.’ Ik vreesde dat ik te maken zou krijgen met een hoogst gefrustreerde dichter, met een kankeraar over miskenning en dat ik via zijn blik opgezadeld zou worden met rancuneuze praatjes over de Nederlandse literatuur. En in het begin lijkt dat ook zo, die Binenbaum heeft ooit zijn geliefde, het jonge meisje Marte Jacobs, verloren aan een vriend, die later een beroemd schrijver wordt. Weer een archaïsch thema: de geliefde kwijtraken aan een vriend, een concurrent. Robert Graves beschreef in The White Goddess (1947) al de wortels van dit oeroude literaire thema, dat volgens hem voortkomt uit de mythe over de witte godin waarin twee broers strijden om haar liefde.

Krabbé weet heel goed dat hij dit soort symbolische achtergronden in een roman niet al te prominent op de voorgrond moet zetten, je moet als schrijver altijd je kop houden over je bedoelingen. En dus vertelt hij op het eerste gezicht een doodgewone geschiedenis over verliefdheden, misverstanden en falen. Maar ondertussen. Meer en meer begon ik dit boek binnen te gaan, hoorde ik op de achtergrond het gelispel en gezoem van ondergrondse verschrikkingen, zag ik zijn jonge heldin in alle pracht voor me en kreeg ik te doen met de jammerlijke dichter die haar zomaar liet lopen én kreeg het met hem aan de stok. Wat een lul, dacht ik, maar ook: wat een dwingend verteld verhaal dat zich zonder al te veel poespas aan mijn blik ontrolde. En meer en meer begon die Binenbaum, hoe tragisch hij ook is, verongelijkt zelfs, gefrustreerd, dat ook, een ware held te worden. Ik vond dit een hele prestatie.

Er staan scènes in dit boek die onvergetelijk zijn. Neem de voetbalscène in het begin. Binenbaum (hij is achttien) en Marte (ze is elf) ontmoeten elkaar tijdens een voetbalwedstrijdje ergens in de duinen bij Schoorl. Ze merken elkaar op, ze voetballen prachtig, ze winnen van iedereen, ze zijn jonge goden en gelukkig. ‘Eén kind viel hem speciaal op, een meisje met halflang blond haar, een zwart gymnastiekbroekje en lange benen als scharnierende luciferstokjes.’ Ja, verdomd, daar is ze, de witte godin, dacht ik. En deze leuke, lieve, mooie en onbereikbare Marte blijft de rest van het boek alle aandacht op zich vestigen, ook al is ze niet eens prominent aanwezig. Ze is de alom afwezige aanwezigheid van dit boek, als men mij deze uitdrukking wil vergeven. Krabbé kreeg het helemaal voor elkaar, het melodrama wordt in deze roman steeds meer een drama en langzamerhand begon tot me door te dringen dat Krabbé het, zoals dat hoort in een geslaagd boek, ook over schrijven zelf heeft. Hoe is het mogelijk iets vast te houden dat je ooit bent verloren? Daar gaat het toch om in schrijven? Ik voel er veel voor om de laatste zin van deze zeer geslaagde roman te citeren, misschien gaat dat te ver, vindt Krabbé dat ik er met mijn poten van af moet blijven. Ik doe het toch. ‘Zolang hij gedichten schreef, waren ze samen.’