Tragische sukkels

Apollonios van Rhodos, De tocht van de Argonauten, vertaald en toegelicht door Wolther Kassies, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 422 blz., 395,-
IN ZIJN DERDE strijkkwartet (1983) heeft de Russische componist Alfred Schnittke een letterlijk citaat uit het Stabat Mater van Orlando di Lasso, het thema van Beethovens Groβe Fuge en de muzikale handtekening van Sjostakovitsj verwerkt. Hoewel het notenmateriaal een geschiedenis van vierhonderd jaar omspant, steekt het kwartet zo organisch in elkaar dat de luisteraar geen moment het gevoel heeft een postmoderne potpourri te ondergaan. Muzikale taal veroudert wel, maar blijft bruikbaar. Ook in literatuur is verwijzen naar voorgangers heel normaal, maar gewoonlijk wordt de historische tekst dan wel ingrijpend gemoderniseerd. Het is ondenkbaar dat een hedendaags auteur een roman zou schrijven in een aan Hadewych, Vondel en Bilderdijk ontleend idioom.

Dat men daar wel eens anders over gedacht heeft, wordt geïllustreerd door Apollonios van Rhodos. In de derde eeuw voor Christus schreef deze geleerde een epos over Jason en Medea in de verheven taal van Homeros, wiens Ilias en Odysseia toen al minstens vijf eeuwen oud waren. Apollonios heeft dit homerisch Grieks, op zichzelf al een kunstmatig amalgaam van elementen uit verscheidene dialecten en perioden, virtuoos naar zijn hand gezet om een verhaal te vertellen dat de meest uiteenlopende sferen met elkaar verbindt. Het subtiel psychologisch inzicht waarmee Apollonios in de huid van zijn personages kruipt, contrasteert met de afstandelijke objectiviteit van de ouderwetse kunsttaal: alsof Gerrit Krol de tale Kanaäns zou hanteren. De daaruit voortvloeiende spanning en vervreemding vormen in mijn ogen de belangrijkste charme van Apollonios’ werk.
Van dat aspect van de Argonautika is in de onlangs verschenen vertaling van Wolther Kassies niets overgebleven. Dat is jammer, maar onvermijdelijk. Kassies schrijft een soepel, eigentijds Nederlands zonder de al te populaire en daardoor razendsnel verouderende modernismen van Imme Dros (Odysseia) en Hein van Dolen (Herodotos). Anders dan eposvertalers als H.J. De Roy van Zuydewijn en Piet Schrijvers acht Kassies de klassieke hexameter ongeschikt voor onze taal. In plaats daarvan hanteert hij de minder riskante zesvoetige jambe, die heel natuurlijk klinkt maar na een paar honderd regels wel een beetje gaat vervelen.
In het licht van wat Apollonios ons verder te bieden heeft, verbleekt deze kritiek echter tot muggezifterij. Iedere liefhebber van de Odysseia - van Euripides, Joyce, Claus dan wel Brakman - moet dit boek onmiddellijk kopen.
Het verhaal behelst de moeizame tocht van Jason, die, in opdracht van zijn misdadige oom Pelias, in Kolchis aan de voet van de Kaukasus de gouden vacht van een ram gaat halen. Met hulp van de tovenares Medea slaagt hij in zijn opzet en na de meest onwaarschijnlijke omzwervingen, tot in Frankrijk en Libië, keert hij terug in zijn vaderstad Jolkos. Het epos eindigt hoopvol en opgewekt met Jasons thuiskomst. Wat iedere lezer wist maar Apollonios niet vermeldt, is dat Jason er vervolgens niet in slaagt de hem toekomende troon terug te winnen: de hele expeditie is zinloos geweest. Ook de ontsporing van zijn huwelijk met de ‘barbaarse’ Medea, zoals we die uit Euripides’ tragedie kennen, speelt in de Argonautika slechts impliciet een rol.
DAT APOLLONIOS belangrijke gebeurtenissen niet, terloops, of pas achteraf vertelt, is kenmerkend voor zijn techniek. Hij lijkt hiermee te suggereren dat mensen zich altijd pas achteraf realiseren welke voorvallen bepalend voor hun leven zijn geweest, terwijl ook psychische processen als verdringing en een falend geheugen het moeilijk maken greep op het bestaan te krijgen. Apollonios’ personages hebben vaak geen idee van de situatie waarin ze zich bevinden. Een voorbeeld daarvan. Aan weerskanten van de toegang tot de Zwarte Zee staan twee rotsen die de nare gewoonte hebben zo nu en dan tegen elkaar te klappen. De helden slagen erin ongedeerd de zee te bereiken, waarna de goden de rotsen stevig in de zeebodem verankeren, zodat elk schip voortaan veilig kan passeren. Maar omdat deze informatie de Argonauten onthouden wordt, maken zij op de terugweg een omweg van duizenden kilometers.
Jason is een tragische sukkel. maar ook uitgesproken onsympathiek. Hij combineert het rücksichtslose egoïsme van Odysseus met de huilerigheid van Vergilius’ Aeneas, maar hij ontbeert de gewiekstheid van de eerste en de misselijkmakende hypocrisie van de laatste. Jason is niet het enige onaangename karakter in de Argonautika. Een onuitstaanbaar verwend jongetje is bijvoorbeeld de liefdesgod Eros, die tijdens het bikkelen met Ganymedes vals speelt en alleen bereid is Medea op Jason verliefd te maken als zijn moeder hem een duur cadeau belooft.
Apollonios’ meest indrukwekkende schepping is Medea. Dat haar liefde geen onschuldige bevlieging is, blijkt al uit deze schitterende vergelijking: 'Haar gemoed werd overstroomd door zoete pijn./ Zoals een vrouw wat sprokkelhoutjes legt rondom/ een brok nog gloeiend hout - een vrouw die spinnen moet,/ omdat zij van haar werk als spinster moet bestaan -/ om in haar onderkomen ’s nachts wat licht te krijgen,/ als zij al heel vroeg opstaat; uit dat gloeiend brok,/ hoe klein dan ook, ontwaakt het vuur, ontzaglijk groot,/ en het vernietigt al het sprokkelhout tot as -/ zo gloeide in haar hart verscholen weggehurkt/ het dodelijke liefdesvuur.’
Overtuigend tekent de dichter haar tweestrijd wanneer ze moet kiezen tussen solidariteit met haar wrede vader Aietes en steun aan Jason: 'Haar hart ging in haar borst telkens opnieuw tekeer,/ zoals een zonnestraal in huis steeds op en neer danst,/ weerkaatst door water dat zoëven in een bekken/ of in een emmer is gestort, zodat het licht/ door snelle waterwerveling naar links en rechts/ bewegen blijft en alle kanten op blijft springen -/ zo rusteloos was in haar borst Medea’s hart.’ Dat we niet met een onschuldig wicht te maken hebben maar met een priesteres van de duistere godin Hekate, blijkt uit de volgende regels: 'Ze zwierf hier vroeger al vaak rond op zoek naar lijken/ en moeilijk uit de grond te rukken plantenwortels,/ zoals men immers toverheksen vaak ziet doen.’
OP HAAR verbintenis met Jason rust geen zegen. Samen lokken ze Medea’s broer Apsyrtos in de val en vermoorden hem. Wanneer de Kolchiërs hen na een eindeloze tocht nog steeds op de hielen zitten, wordt koning Alkinoös van de Faiaken om arbitrage gevraagd. Medea smeekt koningin Arete haar niet uit te leveren: 'Ik zweer u, niet uit vrije wil ben ik vandaar/ met vreemdelingen meegegaan, het was de angst/ - afschuwelijk - die mij tot deze vlucht gebracht heeft;/ ik had een fout gemaakt en had geen andere keus!/ Mijn meisjesgordel is nog als in vaders huis/ onaangeraakt en ongeschonden.’
Alkinoös beslist dat Medea, indien ze nog maagd is, naar haar vader moet terugkeren, waarop Arete in het geheim nog diezelfde nacht de bruiloft organiseert. Maar het is wel een zeer treurige huwelijksnacht, die de dichter een van zijn schaarse persoonlijke ontboezemingen ingeeft: 'Niet in Alkinoös’ domein had hij, de held,/ de zoon van Aison, ooit zijn bruiloft willen vieren,/ maar in zijn vaders huis, als hij in Jolkos thuiskwam,/ en zo had ook Medea het zich ingedacht,/ maar nu dwong dit bericht hen tot de liefdesdaad./ Wij mensen, steeds door leed bezocht, betreden immers/ de weg van vreugde nooit met onbezwaarde voet;/ een bittere pijn is steeds de metgezel van blijdschap.’
Van de Kolchiërs hebben Jason en Medea vanaf dan niets meer te vrezen. Dat zij later, zoals de lezer weet, elkaars grootste vijand zullen worden, kunnen zij onmogelijk bevroeden.