Cito houdt ouders en scholen in de greep

Trainen voor de test

Cito-toetsen zijn tegenwoordig symbool van een failliet schoolsysteem waar kinderen het slachtoffer worden van vroege en rigide selectiviteit. Toch nemen experts het voor de testen op.

Medium hh 06051866

Als het aan zijn basisschooljuf had gelegen, had de Marokkaans-Nederlandse schrijver Mano Bouzamour het Hervormd Lyceum in Amsterdam-Zuid nooit van binnen gezien. Zij gaf hem een vmbo-advies, de Cito-toets was zijn redding. De fraaie score die hij op de eindtoets haalde, was het toegangskaartje voor een andere toekomst op havo/vwo. Het voorval – geromantiseerd beschreven in zijn debuutroman De belofte van Pisa – illustreert volgens voorstanders de belangrijkste voordelen van een objectieve toets in het basisonderwijs. De toets beschermt tegen de willekeur van leerkrachten en biedt dezelfde leerkrachten handvatten voor gerichte begeleiding van leerlingen.

De tegenstanders brengen echter ook stevige argumenten in: de Cito-toets is symbool van een failliet schoolsysteem waar kinderen het slachtoffer worden van een te vroege en te rigide selectiviteit. De nadruk op toetsen vernauwt het curriculum, leidt af van zaken die werkelijk belangrijk zijn en stimuleert kinderen niet om lol te hebben in het leren. Wie heeft er gelijk? Of zijn er verschillende waarheden? Het onderwijsveld is tot op het bot verdeeld over die vermaledijde Cito-toetsen.

Volgens onderwijssocioloog en hoogleraar onderwijsonderzoek aan de Universiteit van Maastricht Jaap Dronkers staat het vast dat de maatschappelijke achtergrond van de leerling nog altijd zwaar weegt in het advies van de leerkracht. ‘Kinderen van hoger geschoolde ouders en uit twee-oudergezinnen krijgen hogere adviezen dan kinderen van lager geschoolde ouders en eenoudergezinnen, ook bij gelijke prestaties.’ Het afschaffen van een objectieve toets zal daarom de maatschappelijke ongelijkheid in het onderwijs vergroten, meent hij.

Uit cijfers van de Onderwijsinspectie blijkt dat twee derde van de 190.000 groep 8’ers een schooladvies van de leerkracht krijgt dat overeenkomt met het plaatsingsadvies van de Cito. Een kleine 24 procent ontvangt een hoger schooladvies en ruim tien procent een lager schooladvies dan op grond van de Cito-uitslag verwacht mocht worden, vaak een ‘onterecht’ vmbo-advies. Het effect van deze onderschatting is groot, meent Dronkers. ‘Als die tien procent wél op de juiste opleiding terechtkomt, zou dat de ongelijkheid tussen groepen meer verkleinen dan welke andere beleidsmaatregel dan ook.’

Zonder Cito-toets wordt de invloed van autochtone, hoogopgeleide ouders alleen maar groter, vindt de hoogleraar. ‘Deze ouders zitten er bovenop om het beste voor hun kinderen te regelen. Als er geen toets meer is, zullen ze zich nog meer richten op de leerkrachten die een advies over het vervolgonderwijs moeten geven.’ Wel gebruiken veel middelbare scholen de individuele scores op een onjuiste manier, constateert Dronkers: ‘Eén punt verschil, die ruim binnen de foutenmarge valt, beslist over toelating. Dat is het echte misbruik van een toets, en dat dient bestreden te worden. Maar we moeten niet dezelfde fout maken als Amsterdam in de jaren tachtig. Toen deed de stad een externe toets in de ban en het gevolg was dat leerlingen in Amsterdam elk jaar een hoger advies kregen.’

‘Waar is de tijd en ruimte om het kind te stimuleren in zijn ontwikkeling tot kritisch burger?’ verzuchtte Monique Leygraaf, lector diversiteit en kritisch burgerschap aan de Hogeschool iPabo, in haar afscheidsrede. Ze hekelde de ‘terreur van de toetsen’. ‘Het gevaar bestaat dat kinderen zo eenzijdig begeleid worden in hun ontwikkeling. En geen enkele toets zegt alles over de ontwikkeling van een kind.’

Als een kind vanaf groep 2 van de basisschool alle Cito-toetsen krijgt voorgeschoteld, heeft het op het einde van groep 8 maar liefst 72 van dit soort testen gemaakt. De kleutertoets is in sommige gemeenten, waaronder Amsterdam, verplicht, al wil de Tweede Kamer daar zo snel mogelijk vanaf en verzekert staatssecretaris Sander Dekker dat van een verplicht karakter geen sprake kan zijn. Ondertussen is het kleuteronderwijs op verreweg de meeste basisscholen in meer of mindere mate afgestemd op het leren voor de Cito-toets. Door die groeiende nadruk op cognitieve vaardigheden als rekenen, lezen en schrijven krijgen kleuters steeds minder tijd om te doen wat volgens veel deskundigen in deze levensfase veel belangrijker is: vrij spelen. Dat vrije spel is wezenlijk anders dan ‘begeleid spel’, waarbij de leerkracht bepaalt wat er gebeurt, hoe lang het spel duurt en wat de uitkomst zou moeten zijn. Volgens psycholoog Louise Berkhout, die op het belang van vrij spel promoveerde aan de Universiteit Groningen, zouden kleuters elke dag een paar uur de kans moeten krijgen vrij te spelen. ‘Er zijn sterke aanwijzingen dat er een verband is tussen de psychosociale gezondheid van kinderen en de mate waarin ze vrij kunnen spelen. Spelen is verfrissend: kinderen laden zichzelf op, verwerken hun ervaringen ermee, kunnen hun emoties erin kwijt.’

‘Zonder druk van buitenaf weten ouders niet of hun kind wel voldoende leert’

De waarde van de toetsscore wordt ook door veel experts in twijfel getrokken. Hoe jonger het kind, hoe grilliger zijn ontwikkeling en hoe minder de uitkomst van een toets iets zegt over zijn daadwerkelijke niveau. De Onderwijsraad kritiseerde in het rapport Een smalle kijk op onderwijskwaliteit de eenzijdige focus op taal en rekenen: ‘De nadruk op cognitieve prestaties dreigt ten koste te gaan van leerlingen en studenten die niet goed scoren op basisvaardigheden.’ De actiegroep Op weg naar geweldig onderwijs pleitte in een vlammend pleidooi in Trouw voor een terugkeer van het onderwijs tot de functie die het vroeger had: talenten van kinderen ontplooien op pedagogisch en didactisch verantwoorde wijze. De groep, die uit onderwijzers en een ontwikkelingspsycholoog bestaat, noemt het een onrechtvaardige ontwikkeling dat de Onderwijsinspectie de Cito-toets gebruikt als ijkpunt voor onderwijskwaliteit. ‘Creativiteit, technisch inzicht en sportief talent ontbreken in deze toetsing.’

Bekend is ook dat hoe meer ervaring een leerling heeft met het maken van testen, hoe beter de resultaten zijn. Een kwestie van gericht oefenen dus. Dit zogeheten teaching to the test is volgens Jelmer Evers, geschiedenisdocent op de Utrechtse school UniC en samensteller van het boek Het Alternatief: Weg met de afrekencultuur in het onderwijs, meer dan een abstract begrip. Hij geeft het voorbeeld van zijn 5 havo-leerling Roel, die tijdens een oefentoets een ‘fout’ antwoord gaf, dat feitelijk goed was. Evers: ‘De vraag ging over de Veertien Punten van president Wilson, vóór het post-Eerste-Wereldoorlog-tijdperk. Roel gaf een zeer uitgebreid, kloppend antwoord dat aantoonde dat hij de stof echt begrepen had. Toch was het volgens het antwoordmodel fout. Dit geeft precies aan waar het wringt. Creativiteit van leerlingen wordt niet beloond, antwoordmodellen zijn steeds meer leidend. Er is denk ik geen docent die zegt dat toetsen onzin zijn, maar je moet een toets als hulpmiddel gebruiken. Doordat de toetsen zo contextloos worden aangeboden, en amper feedback wordt gegeven op antwoorden, gaan leerlingen steeds meer alleen voor dat cijfer werken.’

Ondertussen verdienen trainingsbureaus en faalangstcursussen goud geld aan gestreste ouders die tot voor kort dachten dat voorbereiding op de Cito de taak van school was. Draagkrachtige ouders zijn in staat die extra begeleiding te geven, waardoor de trainingen de ongelijke kansen van kinderen in het onderwijs vergroten. ‘Van het credo “mijn kind moet vooral gelukkig zijn” schuiven ouders op naar “ik wil dat mijn kind een goede toekomst krijgt”’, constateert socioloog en pedagoog Mieke van Stigt. Aan een goede opleiding en een diploma op hoog niveau wordt zeer gehecht. En gezien de toelatingseisen die het voortgezet onderwijs stelt aan de Cito-score betekent dit een hoger gewicht van de toetsuitslag. Van Stigt: ‘Zowel in de samenleving als in het onderwijs wordt de kloof tussen laag en hoog, tussen kansarm en kansrijk, inderdaad groter. De eindtoets in groep 8 is de ophaalbrug tussen die kloof geworden. Terwijl kinderen die net aan de goede kant van die brug terechtkomen een grote kans lopen om dat traject ook af te maken, halen kinderen die net aan de andere kant terechtkomen die achterstand meestal niet meer in.’

Waar het vroeger goed mogelijk was om van de mavo, via havo en vwo door te gaan naar de universiteit, is deze weg bijna onmogelijk gemaakt door de toenmalige onderwijsminister Jo Ritzen. Scholen nemen ook, met het oog op de door hen gewenste hoge slagingspercentages, liever geen risico en weigeren kinderen die hun Cito verpest hebben. Van Stigt: ‘Tegelijkertijd zijn overheid, wetenschappers en ouders gaan geloven dat een school met hoge Cito-scores ook een goede school is, terwijl niet vaststaat wat precies de bijdrage van de school, de ouders en het kind zelf is. Een middelmatige of slechte school met veel kansrijke kinderen van hoogopgeleide ouders scoort op deze manier nog altijd beter op de Cito dan een goede school met veel kansarme kinderen. De Cito maakt niet duidelijk wat de toegevoegde waarde van de school zelf is en kan daarom niet als kwaliteitsmaatstaf dienen. Datzelfde geldt ook voor het voortgezet onderwijs. Slagingspercentages worden gezien als indicatie van de kwaliteit van de school. Dat brengt scholen ertoe om bij toelating eisen te stellen aan de toetsuitslag van de Cito. Immers: hoe lager de score, hoe groter de kans dat dit kind het eindexamen niet haalt, wat slecht is voor het imago én de financiën van de school.’

Onderwijssocioloog Dronkers vindt echter dat de tegenstanders van toetsen de negatieve aspecten benadrukken, maar tegelijkertijd naïef optimistisch zijn over dezelfde problemen die in een nog heftiger vorm terugkeren als de toets het veld ruimt. ‘Er wordt wel erg makkelijk gesteld dat de ontwikkeling van cognitieve vaardigheden door een school haaks zou staan op de ontwikkeling van non-cognitieve vaardigheden. Tot nu toe lijkt het er echter op dat de zogenaamde ontwikkeling van non-cognitieve vaardigheden door een school een rookgordijn is voor het falen van scholen op cognitief terrein. Dat leerkrachten door intervisie zelf de kwaliteit zouden bewaken, klinkt mooi, maar het zijn juist de onderwijsprofessionals die in het verleden slecht in staat bleken om elkaar aan te spreken op hun falen. Zonder druk van buitenaf weten ouders niet of hun kind wel voldoende leert, en als ze dan in groep 8 ontdekken dat dit níet het geval is, staan ze met lege handen.’

Terug naar jongens als Mano Bouzamour, opgegroeid in de Diamantbuurt in de Amsterdamse Pijp. Amsterdam kent een relatief hoog aantal kinderen met een taalachterstand: met ruim 6300 kinderen valt bijna de helft van alle tweeënhalf- tot vierjarigen in de stad in die categorie, landelijk gaat het om zo’n 45.000 kinderen. Als het aan de gemeente Amsterdam ligt zullen alle kinderen daarom binnen afzienbare tijd vanaf tweeënhalf jaar naar school gaan. Dit najaar lanceert de gemeente een plan om peuterspeelzalen, voorscholen en reguliere kinderopvang samen te voegen in een basisvoorziening voor kinderen tot vier jaar oud. In de loop van dit schooljaar begint een proefproject op tien scholen. Ook hier zal de Cito-methode het uitgangspunt zijn, inclusief regelmatige toetsen.

Recent onderzoek van hoogleraar onderwijskunde Peter Sleegers geeft weinig hoop dat dit soort speciale programma’s voor peuters helpen. De twee- tot vierjarigen die zo’n programma hebben gevolgd, bleken in het onderzoek zelfs slechter in taal en rekenen te zijn dan hun leeftijdgenootjes die naar een gewone peuterspeelzaal of kinderdagverblijf gaan. Troost is wellicht dat deze kinderen straks wel gepokt en gemazeld zijn in het maken van toetsen en met die ervaring in groep 8 hun voordeel kunnen doen.


Beeld: Groep 8 van de Mgr. Zwijsenschool in Kerkdriel maakt de Cito-toets (Marcel van den Bergh/HH).