Hoofdcommentaar

Traktatie der braven

«Laster is als een zacht briesje, een vriendelijk zuchtje dat onmerkbaar, zachtjes, lichtjes, zoetjes aan begint te ruisen. Langzaamaan, dicht bij de grond. Zachtjes, lispelend, gaat het gonzend rond; dringt behendig binnen in de oren van de mensen, en doet hun hoofd en hun hersenen duizelen en opzwellen. En als het uit hun mond komt, groeit het gekakel, krijgt stukje bij beetje kracht. Vliegt reeds van plaats naar plaats. Het lijkt de donder, de storm die diep in het bos fluit en raast, en je van gruwel doet ijzen. Ten slotte loopt het over en spat uiteen, verbreidt zich, verdubbelt zich, en brengt een explosie voort. Een koor van haat. En de ellendige belasterde crepeert; door dit boosaardig lot vernederd en vertrapt, onder de gesel van de mensen.»

Dit citaat uit De barbier van Sevilla, vertaald uit het Frans door H.J.A. Hofland, was afgelopen weekend van toepassing: twee reputaties sneuvelden. Jan Campert was geen verzetsheld, maar stierf als een verrader. Ruud Lubbers was geen integer politicus, maar een hardleerse seksmaniak. Zijn onomstreden inzet als hoge commissaris van de VN Vluchtelingenorganisatie voor mensen op drift en zijn verdienste voor de nationale politiek worden overschaduwd door aanklachten van seksuele intimidatie. Maar hoe liggen de feiten eigenlijk?

Jan Campert krijgt 62 jaar na dato de nekslag door een reconstructie op basis van «horen en zeggen», via een bron uit de derde hand. Het stempel van goedkeuring komt van NIOD-directeur Hans Blom en biograaf Hans Renders. Zij zeggen dat «het allemaal heel plausibel is». Zouden er nog mensen in leven zijn die kunnen verklaren (indirect) dat Campert misschien is geliquideerd door mensen die zelf verraders waren?

Lubbers moest zaterdag aftreden nadat het interne, geheime OISO-onderzoeksrapport, gedateerd vorig jaar, was gelekt naar de Britse krant The Independent. De interne onderzoekers concluderen dat er sprake is van een patroon. Maar geen van de vijf, deels anonieme, aanklachten is bewezen. Voor een rechtbank zou de zaak juridisch geen enkele kans maken. Het oordeel van oud-VN’er Max van der Stoel dat het rapport «buitengewoon subjectief en bevooroordeeld is» werd van tafel geveegd door al maanden doorrommelende geruchten. Lubbers’ positie werd unaniem als «onhoudbaar» beschouwd.

Stel dat beide «onthullingen» kloppen, dan is dat schokkend. Maar wat is de waarheid? Niet aantoonbare feiten van een indirecte bron worden «plausibel» geacht. Niet bewezen aanklachten vormen tezamen «een patroon». De mediadynamiek masseert een moreel oordeel. De reconstructie over Campert is gepresenteerd als hard voorpaginanieuws en past uitstekend in een nieuwe fase om «het laatste taboe over de romantische kijk op het Hollandse verzet te doorbreken». Goed blijkt fout, en fout wordt daarmee misschien wel goed.

De speculaties rondom Lubbers zijn handenwrijvend gestuwd in de richting van een «onvermijdelijke val, want de integriteit van de VN is aangetast». De geruchten zijn daarnaast aangegrepen om de oud-politicus met terugwerkende kracht af te serveren. In de tolerante jaren zeventig werden amicale omgangsvormen geaccepteerd en zweeg de pers over private aangelegenheden van bewindslieden. Inmiddels wordt hiermee in soms vulgaire bewoordingen afgerekend.

Bij de kwestie-Lubbers manifesteert zich poedelnaakt een vermenging van moraal, macht en politiek. Voor premier Balkenende komt deze morele blamage van een partijgenoot erg ongelegen, nu het CDA in de opiniepeilingen fors aan het zakken is. In een eerste reactie greep Balkenende de affaire flauwtjes aan om zijn bekende riedeltje te ratelen «dat de media altijd schuldig zijn».

Secretaris-generaal van de VN Kofi Annan hield na het intern verschijnen van het rapport Lubbers de hand boven het hoofd. Nu datzelfde rapport op straat ligt, laat hij Lubbers keihard vallen. Annan zit sinds twee weken immers zélf op de wip wegens het (wel onafhankelijke) evaluatierapport van het Food for Oil-programma. Hij is als hoogste baas verantwoordelijk voor het corruptieschandaal van dit politiek prestigieuze project, dat diende om internationaal ingrijpen in Irak te voorkomen. Zijn eigen zoon zou bovendien mogelijk betrokken zijn bij de ondeugdelijke handel met het voormalige regime van Saddam Hoessein. Daarnaast zijn er serieuze beschuldigingen over seksuele handelingen van VN-soldaten in Congo.

Kortom, twijfels over de integriteit van de VN betreffen eigenlijk meer de soldaten in het veld en medewerkers met dollartekens in de ogen dan Lubbers. Hij trad vier jaar geleden aan in een wespennest vol roddels en achterklap, politieke spelletjes en verschillende internationale mores over communicatie. Natuurlijk had hij moeten inschatten dat zijn «joviale, familiaire» stijl niet past bij de dominante Amerikaanse preutse moraal over genderverhoudingen op de werkvloer. Wie durft er naar aanleiding van de 51-jarige Synthia B., die het kruis van Lubbers in haar billen zou hebben gevoeld, daar nog hardop te beweren dat vrouwen, meer in het algemeen, in het spel der seksen soms óók een rol spelen, namelijk passief lokkend en wachtend op een kans om een man te gebruiken om er zelf beter op te worden? En zouden Haagse journalistes echt nooit terugflirten of ingaan op avances in de hoop op een vette scoop?

Wat hebben beide kwesties, waar of half waar, gemeen? Onder het mom van de moraal werden politieke, commerciële en machts belangen verdoezeld. Behalve de slachtoffers was iedereen daarmee gebaat. Ook het publiek, want dat kreeg een schandaal: de traktatie der braven.