Ger Groot

Tranen

Soms schieten een criticus bij het lezen van een boek de tranen in de ogen. Niet van wanhoop, omdat wat hij leest om te janken zo slecht is, maar van onbeheersbare ontroering. Op dat moment wordt hij een andere lezer. De ironische distantie verdwijnt en met één slag is hij zichzelf niet langer meester. Hij gaat onder in de tekst waar hij geroepen was boven te staan.

Aangrijpend voor de lezer, vormt een onweerstaanbaar aangrijpend boek voor de criticus een gevaar voor de beroepseer. Het objectieve oordeel dat alles in gelijke onaandoenlijkheid overziet, is het zegel van zijn professionaliteit. Daarom heeft de literaire kritiek altijd iets van het wereldwijze dat alles al eens heeft gezien, gehoord en meegemaakt. Verrassing is de hoogste verstoring van het flegma dat zij zich mag veroorloven.

De bekentenis dat een boek tot tranen toe beweegt riekt naar een dames bladenkritiek die zichzelf bij voorbaat diskwalificeert. Dus blijven de emoties van de criticus in zijn recensie zorgvuldig onderkoeld. Hij koestert zijn immuniteit voor de verleiding ervan, zonder deze echter te negeren, en stelt zijn diagnose.

Is dat zijn kwade trouw of betoont hij zich daarmee de professional die beseft zijn lezers niet te moeten lastigvallen met zijn private sores of geluk? De tranen die hem in de ogen schieten zijn, net als bij zijn lezers, altijd gemengd met zijn levenslot. Hij herkent een dramatisch voorval of een zinswending die ooit zijn eigen leven heeft geraakt en deze treft hem langs andere en directere wegen dan stilistische brille of compositorische schoonheid ooit zullen doen.

Gespitst als hij is op de koele glans van die laatste weet de criticus zich tegen over zo’n onmiddellijkheid een even weerloze dilettant als de naïefste Bouquet-lezeres. Door zijn tranen heen bevangt hem de schaamte over een dergelijke regressie. Minstens zo diep schaamt hij zich echter voor de onmiskenbare realiteit van zijn emotie, die zijn competentie op het spel zet. Want het persoonlijke is niet kritisch en de krantenlezer zit niet te wachten op persoonlijke ontboezemingen. Zij mogen het oordeel, dat hij plaatsvervangend voor alle lezers uitspreekt, niet contamineren.

Zo oefent de criticus zich in hardheid, terwijl zijn persoon met het klimmen van de jaren zelf steeds kwetsbaarder wordt. Hij heeft nu eenmaal steeds meer om zich zorgen over te maken en is door grote en kleine tragedies gaandeweg vermurwd. Naarmate zijn literaire cynisme zich verstijft, groeit zijn emotionele raakbaarheid tegen de klippen van zijn leven op. En plotseling breekt die discrepantie door, wanneer een boek hem huilen doet.

Het schandaal van de tranen wreekt zich het scherpst bij de non-fictie. De roman, die – vaak zo vals – prat gaat op zijn denkbeeldigheid, gaat het om vorm; de non-fictie om het feit. En terwijl de emotie van de eerste legitiem deel uitmaakt, staat ze bij de tweede al snel in de geur van een manipulatie die de criticus tot taak heeft te ontmaskeren. Met de holocaustliteratuur als enige uitzondering mag zij hem niet aansteken, op straffe van ideologische medeplichtigheid. Dus veinst hij koelte, tegen elke prijs.

En ikzelf?

Ja, ik huil bij het lezen van boeken, en bij non-fictie misschien wel vaker dan bij romans. Om verloren dromen en de onbarmhartigheid van het inzicht dat weet hoe onwerkelijk, ja schadelijk zij kunnen zijn – maar dat het verlangen naar de passie ervan niet raakt. Om een zekere naïviteit misschien, waarvan de teloorgang niet gecompenseerd wordt door de troost van een gegroeid verstand. En om de wetenschap dat dat niet anders kan, omdat het goede alleen verwacht kan worden van maat en inzicht. Dat is de koelte die ik voel wanneer ze, tussen twee regels door, eventjes door een snik wordt overmand – en die het goedbewaarde geheim blijft tussen mij en het boek.