In het werk van Douglas Stuart schemert regelmatig iets lieflijks door © Clive Smith

Arme Mungo. Zijn moeder is een alcoholiste die niet naar hem omkijkt en soms dagenlang verdwijnt. Zijn broer is een onbevreesde bendeleider die hem dingen toebijt als: ‘Je bent zo’n watje dat ’t me verbaast dat je genoeg botten hebt om rechtop te blijven staan.’ Zelfs zijn zus, de meest redelijke en intelligente van de familie, keurt het af zodra ze ontdekt dat haar vijftienjarige, broze, verstilde broertje verliefd is geworden op een jongen.

Dat kán vanzelfsprekend niet, hier in deze gevaarlijke buitenwijk van Glasgow. Mungo’s moeder stuurt hem de Schotse natuur in, samen met twee botte zuipschuiten die ze heeft opgeduikeld bij de AA. En natuurlijk escaleert de situatie tijdens die trektocht door de groene heuvels van Dumbarton. Mungo wordt min of meer ontvoerd, hij wordt verwaarloosd en uitgekafferd, uiteindelijk ook aangerand – allemaal om, zoals op meerdere plekken in deze roman uitgesproken wordt, een echte man van hem te maken.

Hoewel Mungo pas zijn tweede boek is, kun je al spreken van een typische Douglas Stuart-vertelling. Op meerdere niveaus klinken echo’s van Shuggie Bain (2020) door, het autobiografische debuut waarmee de Schotse auteur doorbrak (in Nederland alleen al meer dan vijftigduizend verkochte exemplaren). Dat succes was onverwacht, gezien de aanvankelijk afwerende houding vanuit de literaire wereld – 44 uitgevers wezen Shuggie Bain af, zo werd in bijna alle interviews met Stuart vermeld, en het staat nu zelfs op de achterflap van Mungo – en ook gezien de onderwerpkeuze. Een Schotse achterbuurt, een kwetsbaar jochie dat vanaf zijn vijfde beschreven werd, zijn ontluikende seksualiteit te midden van gistend geweld en gorigheid: dat klonk niet per se als een verhaal voor een wereldwijd publiek.

Maar wat Stuart goed kan, ook in zijn tweede roman, is contrasten aanbrengen. Tussen droom en daad, tussen schuld en onschuld, tussen verval en verlangen. Zo roept hij moeiteloos werelden op vol armoede, achterstelling en alcohol, zonder dat zijn proza al te zwaar wordt. Of navrant. In het werk van Stuart schemert regelmatig iets lieflijks door, wat uiteraard te maken heeft met de aard van zijn hoofdpersonen. Shuggie Bain was een lichtpuntje te midden van het grauwe Glasgow, een door en door sensitief en ronduit goed jongetje dat je voortdurend meer gunde dan hij kreeg.

Stuart lijkt te vrezen dat de lezer niet begrijpt wat er gebeurt

Mungo is een vergelijkbare titelheld. Iets ouder dan Shuggie weliswaar, op den duur iets harder ook, maar ze hadden broers kunnen zijn. Mungo is eveneens uiterst gevoelig en zit ook gevangen in dat micro-universum vol ouderwetse man-vrouwverhoudingen. Net als in zijn debuut roept Stuart die harde omgeving gedetailleerd op: hij schrijft vanuit scènes, zonder sociologische of maatschappelijke uitweidingen, met de nadruk op handeling en dialoog (inclusief dialect). Het zorgt ervoor dat Mungo’s wereld voortdurend concreet wordt gemaakt, via tastbare scènes die draaien om heel realistische conflicten (Mungo tegen moeder, Mungo tegen broer, katholieken tegen protestanten). Daarbij wisselt Stuart effectief twee verhaallijnen af. Het voornaamste romandeel vertelt het verhaal van Mungo’s familie en zijn opbloeiende liefde voor James, de enige die hem werkelijk lijkt te zien. Tussendoor, het heden van de vertelling, is Mungo met die twee AA-afgezanten op pad, tijdens de expeditie die steeds handtastelijker wordt.

Het is allemaal vakkundig in elkaar gezet. Stuarts grote greep heeft iets aanstekelijks en voortstuwends, de spanning loopt geleidelijk op – Mungo leent zich uitstekend voor een miniserie, vol tederheid en geweld, vol actie en conflicten. Het lastige aan deze roman is alleen wel dat Stuart de neiging heeft die conflicten veelvuldig te benadrukken. Vergeleken met Shuggie Bain lijkt zijn schrijven in deze opvolger nog ietsje explicieter, in zeker opzicht overdadiger. Dan noteert de schrijver bijvoorbeeld, zodra Mungo uitgeput is tijdens zijn natuurtocht: ‘Hij was van nature zo eerlijk en oprecht dat bedrog hem uitputte. Doen alsof hij iets anders dan haat voor deze man voelde had het laatste restje energie uit hem geperst.’

Dergelijke zinnen – beschrijvend, tamelijk stroef of clichématig – duiken door heel Mungo op. Beelden staan in Mungo op een netvlies gebrand. Iemand huilt niet zomaar, er stromen ‘tranen van woede en pijn’ over het gezicht. Een onderlip ‘begon te trillen van zelfmedelijden’. Als Mungo’s liefde voor James opbloeit, is hij ‘dronken van geluk’ en ‘door het dolle heen’. Een aftandse plek wordt niet gewoonweg beschreven, maar direct gedoopt tot ‘een plek waar je nog niet dood gevonden wilde worden’.

Meestal voelt het wat flauw om zinnetjes zo los van hun context aan te halen, maar in dit geval zeggen ze ook iets over Stuarts werkwijze: de schrijver mikt nadrukkelijk op een groot publiek, soms lijkt hij te vrezen dat zijn lezer niet begrijpt wat er gebeurt. Of welk gevoel daarbij hoort. Emoties worden dus uitgeschreven, veel mogelijke ambiguïteit of suggestiviteit verdampt.

De roman krijgt zo, ondanks alle ernst en uiteindelijk gruwelijke beproevingen van de hoofdpersoon, af en toe iets bijna kinderlijks. Wat natuurlijk ook wel weer past bij Mungo zelf, en diens onervaren, onbezoedelde blik. Ik zag hem uiteindelijk wel levensecht voor me, die verlangende en zoekende puber in die afgelegen, armoedige wereld. Alleen leek Stuart tussendoor telkens te willen roepen: krijg je dit wel helemaal mee, hoe alleen hij is? Heb je wel door hoe zwaar Mungo het heeft?