De terugkeer van het Wereldmuseum

‘Transparantie zit ’m niet in glazen deuren’

Het was op sterven na dood, maar op 10 december opende het Wereldmuseum in Rotterdam opnieuw zijn deuren. ‘We zijn een etnografisch kunstmuseum, geen commerciële pretfabriek’, verzekert directeur Stanley Bremer. ‘En we willen een internationale speler worden van formaat.’

‘WE ZIJN EEN BEETJE de Assepoester van de Nederlandse musea.’ Onder de lusters van zonder meer ’s lands mooiste balzaal darren mannen rond met kruiwagens en vrouwen met Papoea-beelden. ‘De mooiste zaal van West-Europa’, verbetert Stanley Bremer, directeur van het donderdag 10 december heropende Wereldmuseum in Rotterdam.
Jarenlang leidde het volkenkundig museum in het gebouw van de vroegere Koninklijke Yachtclub aan de Maas een zieltogend bestaan. Te veel personeel, te weinig bezoekers en drie miljoen euro schuld. Bremer (1952) heeft alle conservatoren ontslagen en de deuren gesloten. In twee jaar tijd heeft hij het gebouw geheel op de schop genomen. Met gratis toegang, prikkelende tentoonstellingen, een reisbureau, theater, wijnbar, restaurant – en natuurlijk die fabuleuze balzaal – zet hij zijn museum op de kaart. ‘Een museale totaalbeleving’, zegt hij. Een pretfabriek, zeggen anderen, maar dat deert ’m niet. ‘Kijk, hier pal links de Erasmusbrug en rechts de Euromast. Hier beneden aan de Maas komt een groot terras. Schuin voor ons: Hotel New York. Hier recht tegenover: de torens van Norman Foster, Renzo Piano en Rem Koolhaas. Eén groot openluchtmuseum!’ En met de Kunsthal, het Boijmans en het Nationaal Fotomuseum naast de deur heeft Rotterdam een Museum Mile van allure.
‘Beetje suffe naam, Wereldmuseum, ik geef het toe’, zegt Bremer. ‘Maar zo heette het al jaren. En ik wil niet alles veranderen. Integendeel, ik haal veel oude dingen terug. Dit majestueuze gebouw uit 1851 was het Rotterdamse pied à terre van prins Hendrik de Zeevaarder, een werker, een doordouwer. Hij richtte de Yachtclub op met het pittoreske haventje hierachter en riep de havenbaronnen bij elkaar om een plek te maken waar de gegoede burgerij zich thuis voelde. Rotterdam is een werkstad en, toen zoals nu was er behoefte om daar een beetje bovenuit te stijgen, iets te creëren voor noem het de elite. En op de bovenetage hadden ze kleine tentoonstellingen etnografica zodat de “jonge kooplieden” kennis konden nemen van de landen waar de tapioca vandaan kwam, en zo is het museum ontstaan. Op een gegeven moment heeft het bedrijfsleven zich teruggetrokken en heeft de overheid het overgenomen. Het moest allemaal “laagdrempeliger” worden. De gewone man moest naar het museum komen. En dat hield in dat de grandeur eruit is gesloopt. Letterlijk hebben ze de prachtige eikenhouten vleugeldeuren verwijderd en vervangen door glas, want dát gaf transparantie. De schitterende statietrap, die ik nu weer heb weten te reconstrueren, werd vervangen door een trap die een beetje lijkt op wat de gewone burger in zijn portiekflat heeft, want dat was drempelverlagend en nieuwe doelgroepen zouden naar het museum komen.’
Niet dus. Is laagdrempeligheid een achterhaald concept?
‘Ik zeg niet dat laagdrempeligheid achterhaald is, maar het is te ver doorgeschoten. Je moet er niet een uniek klassiek gebouw voor slopen. Ik opteer óók voor laagdrempeligheid, dáárom zijn wij iedere avond tot tien uur open en niet alleen tijdens kantooruren, wanneer iedere potentiële bezoeker werkt, dáárom maken wij hierbuiten een terras dat mensen trekt die dan even het museum binnenlopen. Maar we hebben het gebouw weer teruggebracht naar z’n oude pracht. Transparantie zit ’m niet in glazen deuren, het zit ’m in je beleid en in je uitstraling.’

BREMER RUNDE een museaal projectbureau; hij maakte tentoonstellingen op turnkey-basis voor bedrijven en musea. ‘We bedachten een thema, zochten de conservatoren erbij, deden het ontwerp, de vormgeving, vroegen subsidies aan en zochten er sponsoren bij. We deden alles.’
Hij had juist, zonder subsidie, op Curaçao het Maritiem Museum uit de grond gestampt toen de gemeente Rotterdam hem in 2001 vroeg het Wereldmuseum van een wisse dood te redden. Bremer vroeg carte blanche. ‘Er kwamen niet meer dan zestigduizend bezoekers en er was bij wijze van spreken niet eens geld meer om schoon te maken. De uitdaging waarvoor ik stond: hoe krijg ik om te beginnen de boel weer draaiend? Hoe dicht ik dat miljoenengat? En dan: hoe kunnen we het opstoten in de vaart der volkeren zodat het weer meedoet in de internationale museumwereld?’
Om geld binnen te halen zette Bremer een commercieel reisbureau in de hal. Een storm van kritiek, hij zou zijn ziel aan de duivel verkopen, maar het geld kwam binnen. ‘Met dat geld heb ik een ontwikkelingsplan geschreven: hoe gaan we nou verder?’
Hoeveel mensen heb je ontslagen?
‘Ik weet het zo niet uit m’n hoofd. Best veel. Als je bedrijfsmatig wil gaan denken, moet je allereerst je kostenkanten in de gaten houden. Als je conservatoren hebt op al die gebieden waarover je maar eens in de zoveel jaar een tentoonstelling maakt, is geld niet slim besteed. We hebben nu één wetenschappelijke coördinator, een gepromoveerde wetenschapper, en die heeft een wereldwijd netwerk van externe freelance conservatoren die we per tentoonstelling gericht gaan inhuren. Tegelijkertijd zijn we verzelfstandigd, losgekomen van de gemeente en zijn we gaan nadenken over de nieuwe bedrijfsvoering: hoe kun je nou aan de ene kant een museum runnen en aan de andere kant geld verdienen?’
Hoe doe je dat?
‘Door het een beetje ánders te doen. We halen straks Tibet naar voren en maken een weekend waarbij we lama’s uitnodigen die lezingen geven en muziek maken. En we strikken touroperators als sponsoren – voor wie dit natuurlijk zeer interessant is – wat voor de bezoeker de meerwaarde creëert om na het museumbezoek wellicht ook maar eens naar Tibet of China af te reizen.
De belangstelling voor het boeddhisme, het hindoeïsme en natuurlijk de islam groeit in Nederland en daar gaan we op inspelen.
Etnografische kunst is hot bij de midden-dertigers. Dan denk ik: wat willen de midden-dertigers? Ik observeer mijn zoon dan zo eens: wat doet die nou met z’n vrienden? Even gezellig wat eten, kunnen we tussendoor naar het museum, en dan, hop, wat drinken; dat is de snelle cultuur, de snelle samenleving. Een goed restaurant en een goede tentoonstelling is dus de combinatie.
In ons restaurant, intussen, proberen we met de coaching van chef-kok Cees Helder écht op het niveau van een Michelin-ster te komen. Alles wat je vertelt over andere culturen moet je zo goed mogelijk doen, dan pas krijgt het waarde. Als we een tentoonstelling over Japan maken, willen we daar een Japanse keuken bij hebben, zodat je niet alleen het erfgoed ervaart, maar ook de geur en de smaak erbij hebt.’
Cees Helder heeft drie Michelin-sterren en is behalve voor die paar jonge kooplieden niet echt betaalbaar. Vind je dat geen probleem?
‘Nee, dat vinden we geen probleem want we gaan niet een heel duur restaurant maken. Het is nou juist de kunst om het niveau van een sterrenrestaurant te ontwikkelen voor een redelijk betaalbare prijs. Het zal ook geen goedkoop restaurant worden. Iedere bezoeker moet hier 25 euro achterlaten.’

‘EEN TIK OP een blauwe interface in de balzaal en hup: de kroonluchters zoeven naar boven, het plafond in; videobeamers dalen naar beneden en balzaal wordt boardroom, huur 2500 euro exclusief. En op de bovenverdieping komen, net als in de Met, speciale kamertjes waar de trustees kunnen eten.’
Kamertjes waar ik niet in kom…
‘Ja, daar zul je toch aan moeten wennen. Onze vaste opstelling, waar de topstukken staan, is gratis. Dat kan omdat het beheer van de vaste collectie betaald wordt door de belastingbetaler en de trustees. Dat vind ik sociaal beleid en het verlaagt die drempel enorm; iedereen kan naar believen binnenlopen. Met ons restaurant, met onze balzaal, gaan we geld verdienen. Ik ben directeur van één museum en van twee BV’s. Het geld wordt verdiend in een Wereldbusiness BV, een fiscale fondswervende instelling. Alle winst die de BV maakt, storten we naar een goed doel. En dat goede doel is het museum. Wij willen dat de bovenkant betaalt voor het geheel.’
Nee, geen misverstand: het gaat Bremer om de voorwerpen. Met hart en ziel. De vaste collectie van zo’n achttienhonderd stukken uit Afrika, Azië, Amerika en Oceanië is van de hoogste kwaliteit en moet daardoor voor zichzelf spreken. Een middeleeuwse gouden boeddha van onschatbare waarde; uit Papoea-Nieuw-Guinea de grootste bisjpaal ter wereld, het oudst bekende Asmat-schild; een volkenkundig museum is nu eenmaal een curieuze uitstalkast en daar is ook niks mis mee. Maar er is iets aan het veranderen in het kijken. Bremer: ‘De beste kunstwerken uit deze landen, van deze volkeren, hebben een absolute topkwaliteit, die zijn prachtig. Vormgevingtechnisch heel vernuftig. Het heeft het niveau van een Appel of een Picasso, op die abstractieniveaus zit het soms ook – en ik vind het belangrijk om niet-westerse kunst op die manier te benaderen.’
Dus geen aapjes kijken?
‘Nee. Kijken naar het object en de schoonheid en het vakmanschap dat erin zit. Vaak zijn het voorwerpen met een religieus-spirituele lading; om voorouders te eren of om goden te vereren was alleen het beste goed genoeg en die voorwerpen zoek ik en wil ik tentoonstellen. Ik heb in depot een verzameling van honderdduizend objecten waarvan het overgrote deel niet de kwaliteit heeft waar wij als museum mee verder willen. In de jaren zeventig en tachtig hebben we verzamelreizen gemaakt naar Marokko, China, India en hebben we eigenlijk gewoon gebruiksvoorwerpen gekocht. Het in je museum nabouwen van een souk uit Marrakesj, dat was voor die tijd leuk, maar die spullen hebben wij nog steeds, ons depot is overvol en daar wil ik van af. Gebruiksartikelen blijven altijd gebruiksartikelen; iets wat nu niets waard is, is over honderd jaar nog steeds niets waard. Ik heb een keer geroepen dat ik voorwerpen wil verkopen om daar weer andere dingen mee terug te kopen om hiaten op te vullen: grote consternatie in de pers.
Het was de trend in Nederland: een schilderij met een tekstbordje was te weinig, daar moest van alles omheen bedacht worden; de infantilisering van de musea. We gaan het zo gemakkelijk mogelijk maken. Als kinderen de Cito-toets niet halen, dan gaan we niet nadenken hoe die kinderen beter op te leiden, maar dan gaan we de Cito-toets vereenvoudigen. Daar doe ik niet aan mee. Ik wil een bepaald niveau in het museum hebben, daar doe ik geen concessies aan. Wél geef ik de bezoeker de mogelijkheid om te begrijpen waar we ’t over hebben, middels rondleidingen, nog steeds het beste middel, en door met iPods met earphones de bezoeker door de opstellingen te trekken en nieuwsgierig te maken. En voor wie dan méér wil, zijn er allerlei boeken te koop in onze winkel en op internet. Maar bovenaan staat: geniet van de schoonheid van de dingen en kijk ernaar! We zijn eigenlijk meer een kunstmuseum dan een volkenkundig museum.’

HET IS IN NEDERLAND nog steeds not done om je boven iemand te verheffen. Iets te maken wat slechts toegankelijk of begrijpelijk is voor een kleine groep. Men ontkent dat er een elite is. Die is er natuurlijk wel.
‘Laten we wel wezen: museumbezoek is over het algemeen voor hoger opgeleiden. Daar kun je dan wel aan gaan zitten rommelen, maar dat werkt niet. Je hebt bepaalde doelgroepen voor bepaalde vormen van amusement. Voetbal heeft een ander publiek dan het Concertgebouw.’
Het werkt gewoon niet, de stratenmaker naar de opera te krijgen?
‘Nee, dat is uiterst lastig. En dan hebben we nu maar weer eens een nieuwe doelgroep: de allochtonen. Dat vind ik ontzettend storend. Ons museum is gratis, maar voor de grote tentoonstellingen die we twee keer per jaar gaan organiseren, heffen we vanwege de hoge kosten wél entree en dan wordt gevraagd: en de allochtonen dan? Dat is wel een heel kwalijke opmerking natuurlijk, want dan ga je ervan uit…’
… dat allochtonen arm en achterlijk zijn.
‘Ja. En dat is natuurlijk helemaal niet waar, want je hebt daar veel hoger opgeleiden, vooral de laatste jaren. Al die jonge moslima’s die arts of advocaat zijn. En dat is voor ons een heel interessante doelgroep, want die zijn erg geïnteresseerd in andere vormen van cultuur.’
Geen allochtonenbeleid dus in een stad met 47,1 procent inwoners van niet-Nederlandse afkomst?
‘Nee. Behalve dat we in ons restaurant ook vegetarische maaltijden zullen serveren – culinair en commercieel ook zeer interessant. Het zijn gewoon mensen, toch? De multiculturele samenleving, zo’n ongelooflijk gedateerd woord. We hebben gewoon één samenleving. En die is per definitie multicultureel.’

BREMERS SAMENWERKING met de kunsthandel is een ander pijnpunt. Op de eerste verdieping schikt gastconservator Sjoerd de Vries, Tibet-kenner en eigenaar van de Amsterdamse galerie Astamangala, de laatste beelden in een door hem ingerichte Tibetaanse tempel. De antieke dieprode zuilen heeft De Vries onlangs nog in Nepal op de kop getikt.
‘Dat wordt argwanend bekeken’, zegt Bremer. ‘Maar iemand als De Vries die een leven lang in Tibetaanse kunst handelt, heeft een kennis als geen ander. Weet voorwerpen te vinden die precies zijn wat we zoeken. Sommige families handelen al vier, vijf generaties, hebben een schat aan kennis waaraan wij niet kunnen tippen. Als ze me voorwerpen lenen, worden sommige collega’s daar heel zenuwachtig van. Want natuurlijk is er jegens de volkenkundige musea een enorme gevoeligheid over de herkomst van onze collecties. We hebben een beetje het stempel op ons gekregen dat we het vroeger allemaal geroofd hebben.’
Gemummificeerde eskimo’s…
‘Bijvoorbeeld. Het meeste is destijds gewoon gekocht door verzamelaars en reizigers. Natuurlijk moet je er voorzichtig mee omgaan, maar daar kun je ook in doorslaan. De Stichting Volkenkundige Collectie Nederland – waar ik zelf ook in zit – wil van alle voorwerpen precies de herkomst weten. Je moet bijna kunnen aantonen dat het niet gestolen is. Dat kan dus niet, want ik heb geen bonnetje. Dit wurgkoord sluit ons buiten de internationale samenwerking. Je moet natuurlijk wel opletten, je moet niet zomaar alles kopen, het kan inderdaad gestolen zijn. Maar de handel is ook niet gek, die wil zijn vingers ook niet branden. Er kwam hier een belangrijke collectie van een Nederlandse handelaar op de markt en die verdwijnt dan naar Amerika, naar de Met. Dan kan ik m’n haren wel uit m’n hoofd trekken: wat hebben wij weer zitten slapen in Nederland, om dit naar het buitenland te laten gaan!’
Buiten Nederland is men wakker. Met collega’s in Bonn en Zürich en met de ING in Brussel is Bremer bezig een poule op te zetten. ‘We kunnen samen een tentoonstelling produceren en die rond laten reizen. Dat is slim, want als je ieder vijfhonderdduizend euro investeert, heb je anderhalf miljoen. Doe je dat binnen de Europese Unie, dan kun je ook EU-geld aanvragen. We hebben onze wisseltentoonstellingsruimte afgestemd op de internationale maat: duizend vierkante meter. Met onze tentoonstellingen, nu Oceanië, straks mensenoffers bij de Inca’s, dan Erotiek, Samoerai en Verboden Tempels, richten we ons op een internationaal publiek. Straks hebben we de hogesnelheidslijn. Antwerpen en Brussel zijn bijna net zo ver van hier als Amsterdam, dat vergeten mensen vaak.
Voor wat betreft Nederland wil ik graag afspraken maken met andere musea. Om onze verzamelingen te herijken; daar wil ik serieus over nadenken. Wij hebben bijvoorbeeld onze fotocollectie aangeboden aan het Fotomuseum hier aan de overkant. Dan roept iedereen: dat is zónde! Dan zeg ik: ho ho, die fotocollectie is daar veel beter op z’n plek. Betere conserveringsomstandigheden, meer belangstelling; de collectie rendeert beter. En als ik ’m nodig heb, leen ik ’m terug. Ik heb een muntencollectie waarvan ik denk: dat is niet ons ding. Het Geldmuseum in Utrecht is geïnteresseerd.
Afspraken ook met de directe collega’s. We hebben in Nederland drie volkenkundige musea binnen een straal van honderd kilometer. Ik ken niet zo gauw een ander land waar dat zo is. We zouden kunnen fuseren. Dat vind ik een heel interessante gedachte. Dan heb je een wereldspeler neergezet. Een utopisch plan. Verkoop al die gebouwen, cash dat geld en bouw ergens midden in het land, bij Lelystad of zo, een groot nieuw museum met een winkelcentrum eromheen en een hotel. Dan zijn we twintig jaar verder.
Wat ook zou kunnen, en dat is veel simpeler: geef alle drie de musea een eigen karakter. Het Tropenmuseum is erg gecharmeerd om verder na te denken over hedendaagse niet-westerse kunst. Daar hebben wij een aardige collectie van en ik zou dan zeggen: dan breng ik mijn hele hedendaagse verzameling over naar Amsterdam, dan kunnen zij zich daarmee profileren. Zoals het Afrika Museum het Afrika Museum is, zou het Tropenmuseum het museum worden voor moderne niet-westerse kunst en zou het Museum voor Volkenkunde in Leiden ambiëren om in te spelen op de sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. Ik op mijn beurt profileer me dan met een collectie etnografische kunst tot aan de Tweede Wereldoorlog. Nee, er wordt nog niet echt op gereageerd en ik heb het even laten rusten omdat we nu onze handen vol hebben aan de opening op 10 december. Maar daarna zie ik graag verder.’

www.wereldmuseum.nl