Traploperklemmen

De productie van Henry Van de Velde (1863-1957) is zodanig groot dat in Brussel de kolossale zalen van het Jubelparkmuseum er tjokvol mee zijn gezet, als een Waterlooplein onder dak, en dan nog ontbreekt er van alles.

Medium kunst

De hoeveelheid is verbijsterend en nog verbijsterender is de gewaarwording dat deze Van de Velde dat allemaal kón, dat hij zich in één leven een dozijn ambachten tot in perfectie had eigengemaakt. Hij begon als een begenadigd schilder en tekenaar en werd daarna, onder invloed van vooruitstrevende Britse en Belgische ontwerpers die streefden naar een éénheid van kunsten en design, ook zilversmid, modeontwerper, meubelmaker, keramist, typograaf, architect, glas-in-lood-maker, een begenadigd docent en een zeer productieve essayist. Hij was het complete Bauhaus in één lichaam, en dat is geen loos complimentje: Van de Velde was in 1902 oprichter van de groothertogelijke Saksische School voor Kunstambachten in Weimar, de directe voorloper van het Bauhaus. Van de Velde nam in 1914 bij het uitbreken van de oorlog ontslag; hij was het die Walter Gropius als opvolger zou aanbevelen.

Eigenlijk is de vormgeving in dit fin de siècle – de art nouveau, en alles wat daaruit voortkwam – te herleiden tot zoiets als wat Hogarth (en Alan Hollinghurst) ‘the line of beauty’ noemden. Zij bedoelden de S-vormige ojief; bij Van de Velde is een vergelijkbare curve te herkennen, een vrije beweging van de pen in de hand die eindigt in een rechte hoek. Je ziet dus de verticale stijlen van een stoel gebogen, organisch oprijzen, om dan in een simpele horizontale stijl boven aan de leuning bijeen te komen. Met andere woorden: een vormgeving die elegant is, maar ook functioneel, en die zeer kritisch is op overbodige ornamentiek. Een stijl waarin je leven kunt.

Dat blijkt vooral uit Van de Velde’s ontwerpen voor woonhuizen, te beginnen met zijn eigen huis Bloemenwerf, bij Ukkel. Die werden van binnen naar buiten gedacht, uitgaande van een centrale ruimte – meestal de hal met trappenhuis – en daaromheen de kamers zoals de familie die er zou wonen ze ook echt nodig zou hebben. In Wassenaar bouwde hij zo Villa Zeemeeuw aan de Wagenaarweg (1901), een ontwerp dat in Nederland grote invloed had.

Medium vdvelde

Van de Velde bracht die elegante lijn in alles – serviezen, bestek, gordijnen, boekomslagen, theatergebouwen, wereldtentoonstellingspaviljoens, oceaanstomerinterieurs, traploperklemmen en ook in het bureau van zijne Belgische majesteit. Natuurlijk wordt de uitvoering in de jaren twintig en dertig strakker en monumentaler. Een bewijs daarvan zijn de ontwerpen voor de gigantische kunsttempel-plus-woonhuis die hij voor Helène Kröller-Müller ontwierp; een klein stukje daarvan is nu de oudbouw van het Kröller-Müller Museum.

Is dit een grootse tentoonstelling? Ja, want zo’n pakhuis vol spullen en ontwerpen en complete interieurs is onthutsend, en er doemt een beeld op van een faustische alleskunner wiens invloed nog overal natrilt. Maar het moet ook maar eens gezegd dat tentoonstellingsmakers in België – de goeden niet te na gesproken – wat publieksbegeleiding betreft in de jaren vijftig zijn blijven steken, en vasthouden aan stijf ontzag voor academische autoriteit. Men gaat ervan uit dat de bezoekers om de oren moeten worden geslagen met lange teksten; zoiets simpels als de plaatsing van een titelbordje bij een stoel blijkt hier een geweldige opgave – sommige zijn ter grootte van een speelkaart en liggen doodleuk op de grond, anderhalve meter van des bezoekers voeten. Dat had Van de Velde anders gedaan.

Henry Van de Velde: Passie Functie Schoonheid, Jubelparkmuseum, Brussel, t/m 12 januari 2014, kmkg-mrah.be


Beeld: Sabam, Belgium, 2013-2014