Traptuba en knisperpan

Tot en met 5 november op tournee door het land.
Zijn het magiers of ordinaire loodgieters? In de Orkater-produktie Jemand auf der Treppe 2, gemaakt en uitgevoerd door Peter Zegveld en Thijs van der Poll, gaan geheimzinnigheid en mechanische eenvoud hand in hand. Het decor wordt gevormd door een houten tafel en twee stoelen met daarboven de trekker van een stortbak. Verder is het podium volgestouwd met raadselachtige apparaten die in het laboratorium van een negentiende- eeuws uitvinder niet zouden misstaan. Met ferme stappen benen de twee door de ruimte: hier moet lucht worden aangetrapt, daar een veer opgedraaid en even verderop een hendeltje aangezwengeld. Het akoestisch pandemonium kan losbarsten.

Sommige bouwsels spreken voor zich. De traptuba die Van der Poll bedient, werkt volgens hetzelfde principe als een traporgeltje. De pan die op een hevig vibrerend onderstel staat, produceert een oorverdovende herrie als er rijst in wordt gegooid. De windmachine, de ouderwetse microfoons die het gesmoorde geluid van een megafoon voortbrengen en de vele letterlijke toeters en bellen - de bron van het geluid is duidelijk te traceren.
Ingewikkelder gesteld is het echter met het steelpannetje, formaat poppenhuis, dat, ergens boven een melkfles geplaatst, begint te knisperen. Of het ondefinieerbare apparaat, bestaande uit vele hendels en wat blikken, dat slagwerkgeluiden voortbrengt. En hoe worden de grote rookspuwende olievaten in werking gezet?
Orkater heeft op het gebied van muziektheater een reputatie hoog te houden. De vorige produktie Ontvangt u mij? was in dat opzicht een teleurstelling, ondanks de glansrol van Annet Malherbe. Er was geen sprake van een integratie van muziek en theater, maar eerder van een toneelstuk aangekleed met wat liedjes. In Jemand auf der Treppe zijn klank en geluid daarentegen het uitgangspunt en sommige geluiden worden getheatraliseerd.
Zo is de wc-trekker een aan- en uitschakelaar waarmee op nogal lullige wijze de boel kan worden platgelegd. Een vooroorlogse zwoegende projector, versierd met twee grote koplampen, toont op de muur een luid keffend hondje. De rookkanonnen worden nu en dan spectaculair belicht. Kijk je zodoende een uur lang je ogen uit, de spanning van de voorstelling zit ’m in het samenspel tussen Zegveld en Van der Poll die met steeds wisselende gasten een grotendeels geimproviseerd klankspektakel neerzetten.
In de Westergasfabriek was dat het Koor Nieuwe Muziek onder leiding van Huub Kerstens. Een uitstekende keuze: niet alleen werkt de tegenstelling tussen de vaak serene, verstilde koorzang en de machinale geluiden dramatisch, het koor nam ook de gedaante aan van een groot lichaam in contrast tot de twee herrieschoppende stoorzenders. Muzikaal was deze versie van Der Treppe dan ook een bonte lappendeken: de koorstukken, de gierende, snerpende, pompende machines, teksten en liedjes door de twee performers, een scala aan musique concrete zoals bijvoorbeeld een aflopende wekker, de solo’s van Thijs van der Poll die zulke uiteenlopende instrumenten als sopraansax, basklarinet en gitaar bespeelt, het geimproviseerde duo met een van de koorzangeressen, en ten slotte als concreet citaat het beroemde slot uit Dido and Aeneas.
Een postmoderne klankcollage? Twee muzikale Willie Wortels? Of een op het futurisme geinspireerd muziektheaterstuk? Deze ongrijpbaarheid maakt Jemand auf der Treppe zo fascinerend. De werkelijke magie schuilt echter niet in het ratjetoe aan muzikaal materiaal of de theatrale effecten, maar in het perfecte gevoel voor timing. Het is niet zo belangrijk wat er precies klinkt - veel is pure grunge - maar wel hoelang en in verhouding tot wat volgt. In dat opzicht betuigen Zegveld en Van der Poll zich uitstekende improvisatoren. Net zoals de humor speels is maar er niet te dik bovenop ligt, zo blijft ook het muzikale verloop verrassend en alert van geest.