KUNST: WILLIAM KENTRIDGE

Trauerarbeit

De oude historie schilderkunst – die van de veldslagen, de samenzweringen, de schutters optochten – was gebonden aan het platte vlak, en dat was heel wat, maar als Jordaens en Flinck vandaag geleefd hadden, waren zij zeker regisseur geworden.

Dit is wat William Kentridge is, een regisseur van vele disciplines; hij is politicoloog, werd kunstenaar aan de Johannesburg Art Foundation en volgde daarna een studie mime en theater in Parijs. Hij maakte in 1989 voor het eerst een animatiefilm, en in 1992 produceerde hij zijn eerste theaterstuk (Woyzeck), in samenwerking met de Handspring Puppet Company. De kern van alles is tekenen; Kentridge maakt vrij eenvoudige houtskool- en pasteltekeningen die hij voor zijn animaties beeld voor beeld aaneenrijgt, waarbij hij al filmend tekent, uitwist en verandert. Arbeidsintensief, maar ook direct, krachtig; het heeft iets activistisch, iets naïefs. Er is nog meer, dat in dat kunstenaarschap samenkomt, en dat wist u misschien allemaal al, bijvoorbeeld omdat Kentridge dit jaar en twee jaar geleden voorstellingen gaf op het Holland Festival, of omdat zijn werk ook te zien is in The Rainbow Nation in Den Haag.

Maar nu komt het nog eens bij elkaar in een installatie in het Joods Historisch Museum, Black Box/Chambre Noire. Het is een theatertje van het formaat marionettenspel. Mechanische figuurtjes schuiven houterig heen en weer tussen de coulissen, projecties van voren en van achteren vertellen een verhaal. Er klinkt aardige muziek, van Philip Miller, een combinatie van Namibische muziek en Mozarts Die Zauberflöte. De kijker zit op houten stoelen, het is nostalgisch, kermisachtig. Het onderwerp is dat niet: de voorstelling gaat over de massamoord op het Herero-volk, een gevolg van het koloniale avontuur van Duitsland in Zuidwest-Afrika. Kentridge legt zijn tekeningen over historische filmbeelden en over alledaags archiefmateriaal – namenlijsten, Duitse krantenadvertenties, topografische kaarten. Die tekeningen zijn in de ruimte rondom het theatertje te zien. De interactie tussen al die media is zeer goed, Kent­ridge is een handige dramaturg en heeft een goede hand van montage. Ik vind de eenvoud van zijn tekeningen pakkend en effectief, en het gebruik van het historisch materiaal blijft ‘beeldend’, in plaats van documentair. Dat neemt niet weg dat het allemaal wel erg politiek is. Het is een Trauerarbeit, met een simpele boodschap: massamoord begint met meten, inventariseren, catalogiseren, ordenen. De kolonisator beschrijft het land en geeft het namen (‘Walfisch Bai’); daarna beschrijft hij de inwoners; vervolgens meet hij hun schedels en vandaar is het maar een kleine stap naar ontmenselijking en uitroeiing. De geschiedenis van die moord is verbijsterend. Kentridge introduceert daarbij echter muziek van een Duitse uitvoering van Die Zauberflöte uit 1937, als een onbegrijpelijk contrast: daar worden nobele verlichtingsidealen bezongen door dezelfde Duitsers die de Herero’s over de kling joegen, en dat vervolgens met de joden gingen doen.

Kentridge’s oeuvre draait om de apartheid, maar toont zelden de directe historische werkelijkheid daarvan; hij beeldt liever de nasleep af, de geïnternaliseerde doorwoekerende wreedheid, of, in dit geval, het voorspel. Dat maakt Black Box meer dan een beschuldigend historiestuk over koloniaal racisme. Elke blanke Zuid-Afrikaan is immers in zekere zin erfgenaam van de ideologieën die ooit de Europese kolonisator bewogen hebben.

William Kentridge, Black Box/Chambre Noire, Joods Historisch Museum Amsterdam, t/m 25 november. www.jhm.nl

KUNST