Sport

Trauma

Dinsdagavond speelde Ajax in München tegen Bayern, voor de Champions League. Als er zoiets bestaat als een Ur-Angstgegner, dan is Bayern dat.

De laatste decennia is verwoed geprobeerd «de Duitser» sympathiek te vinden. Dat anti-Duitse gedoe, dat paste niet in de moderne tijd, waarin de oorlog geen invloed meer hoorde te hebben op «de Nederlander».

Voor de wedstrijd tegen Bayern sprak Ajax-trainer Ronald Koeman zijn waardering, en bijna bewondering uit voor de tegenstander. Het legendarische doelpunt-in-de-laatste-minuten dat Bayern op een of andere manier altijd weet te scoren, heeft volgens Koeman niets te maken met geluk, maar alles met rust, zelfvertrouwen en overtuiging. «Ze weten dat hij altijd nog komt, die kans», wist hij. Daar durven ze op te wachten. En dat kunnen ze omdat ze de rust der zelfverzekerdheid bezitten, niet in paniek raken, en tot het laatste fluitsignaal het overzicht bewaren, blijven nadenken en toeslaan als het kan.

Ik zag Rummenigge voor me, Karl-Heinz Rummenigge. Als er een overtreffende trap van Duitser bestaat, dan is Rummenigge dat: Duitst. Net als Sepp Maier, Franz Beckenbauer, Gerd Müller, Klaus Augenthaler en Paul Breitner.

Ik zag Rummenigge scoren. Drie keer. Op 7 november 1978.

Iedereen beschouwt de verloren WK-finale van 1974 tegen West-Duitsland als het grootste nationale sporttrauma uit de geschiedenis. Dat is niet terecht. We hebben een nog groter trauma in ons collectieve bewustzijn.

Veertien jaar na zijn debuut in Ajax speelde Johan Cruijff zijn afscheidswedstrijd. Op 7 november 1978, in Amsterdam. Tegen Bayern München. Het werd 0-8.

De grootste, beste, mooiste, sierlijkste voetballer van de wereld nam afscheid van de club die hij tot ongelooflijke hoogten had opgestuwd en waarmee hij ongekende triomfen had gevierd, met een vriendschappelijke wedstrijd. Vijftigduizend mensen kwamen hem uitzwaaien, de nummer 14 die jarenlang op onnavolgbare wijze had laten zien dat er schoonheid in voetbal zit. Het moest een feest worden, ter ere van Johan Cruijff.

Het werd geen feest. Het werd een nachtmerrie. 0-8.

Ik was vijftien en voetbalde in een shirt met nummer 14. Ik verafgoodde Cruijff. Een grotere held zou er nooit komen. En toen kwam die afscheidswedstrijd.

Iemand bedacht dat een goed alternatief voor Barcelona – dat verhinderd was – Bayern München zou zijn. Bayern had in 1974, 1975 en 1976 de Europa Cup gewonnen (zoals Ajax driemaal in de jaren daarvoor) en sprak dus tot de verbeelding. De trainer van Bayern wilde meewerken aan een waardig afscheid, maar daar dachten sommigen anders over.

Het scoreverloop: 2. Müller 0-1; 41. Rummenigge 0-2; 48. Breitner 0-3; 57. Rummenigge 0-4; 58. Breitner 0-5; 67. Müller 0-6; 73. Breitner 0-7; 75. Rummenigge 0-8.

Paul Breitner zei over de wedstrijd: «Tijdens de warming-up werd vanaf de tribune al ‹nazi-Schweine› geroepen. En de spelers van Ajax negeerden ons volkomen, alsof we een noodzakelijk kwaad waren. Op weg naar de aftrap werden we andermaal door het publiek beschimpt. Toch hebben we met vier man afgesproken dat we Cruijff zouden laten gaan. Ik geef toe dat we een snelle jongen als Rummenigge niet helemaal in toom hebben kunnen houden. Maar dat lag ook aan Ajax. Moeten we dan niet scoren, als we zo gemakkelijk vrij voor het doel konden komen? Ik vraag mij in oprechtheid af wie eigenlijk de avond voor Cruijff heeft verpest.»