Gedwongen verhuizing Aborigines

Traumamedicijn

De afstammelingen van het Australische Yalanji-volk zijn de afgelopen decennia van hun land verdreven. Nu knokken ze tegen de overheid «voor het beste van twee werelden».

In een voor blanke toeristen gebouwd vakantieoord vol groen-witte stretchers zitten vandaag voor de verandering eens zwarte mensen. Zo'n vijftig leden van de Yalanji-stam vergaderen hier — aan de rand van de geboortegrond van hun voorouders — over de vraag of ze nu wel of niet een rechtszaak moeten beginnen tegen de regering van de Australische deelstaat Queensland.

Er staat veel op het spel. De enkele honderden overgebleven afstammelingen van het Yalanji-volk zijn de afgelopen decennia letterlijk de weg kwijtgeraakt. Gedwongen verhuizingen en razzia’s door de blanke politie hebben hen doodongelukkig gemaakt. Volgens westerse wetten moeten ze leven conform regels die niet de hunne zijn. In de stad Cairns overnachten ze liever in de open lucht in het park dan in een toegewezen woning. Alcohol en drugs moeten de boze geesten verjagen.

Terug willen ze, «back to the roots», naar de prachtige regenwouden op het schiereiland Cape York. Leven van de opbrengsten van het land, van de jacht, in het gebied dat ooit met de handen, voeten en vooral de ziel van hun al lang overleden familieleden werd bewerkt. Maar er is een probleempje: voor de Australische wet is het land inmiddels eigendom van blanke boeren, projectontwikkelaars en het ministerie van Natuur van Queensland. Een deel van het gebied staat op de Werelderfgoedlijst van de Verenigde Naties.

Een blanke advocate van de Cape York Land Council zet vandaag de nadelen van een rechtsgang voor alle Yalanji’s heel duidelijk op een rijtje: het is duur, het duurt lang en je kunt verliezen. De meeste afstammelingen zijn niet in staat om volgens de westerse regels — lees: via documenten — aan te tonen dat zij de oorspronkelijke landrechten bezitten. Hele teams van antropologen en genealogen moeten worden ingeschakeld om de Yalanji’s bij hun claim te ondersteunen.

De rechtszaak wordt voorlopig even op de lange baan geschoven. De vergadering besluit verder te gaan met onderhandelingen met de regering van Queensland over gedeeld gebruik van het land. Inzet: het natuurgebied en de rechten van boeren om hun vee te laten grazen blijven bestaan, maar de aborigines mogen in een dorp op datzelfde land gaan wonen en voor het land zorgen. Vreedzaam, naast elkaar.

Sonny Levers, een jonge aboriginal die werkt voor het Centre for Appropriate Technology in Cairns, heeft al wel een aardig idee hoe dat eruit moet komen te zien. Trots toont hij een enorme reliëfkaart van het nieuwe dorp Buru (aboriginalwoord voor «kom», zoals in soepkom), waarop precies staat aangegeven wie zich voor welk stukje grond heeft aangemeld om daar een woning te bouwen.

«Iedereen krijgt de keuze, er is ruimte genoeg», vertelt Levers enthousiast. «En ze mogen zelf beslissen welke vorm van elektriciteit ze willen, wat voor soort toilet, noem maar op.» De weg naar Buru, die eigenlijk geen weg mag heten, staat op de nominatie om spoedig verbeterd te worden. Radio-ontvangst en telefoon zijn al voor elkaar. Uiteindelijk moet het nieuwe dorp plaats bieden aan honderd tot honderdvijftig aborigines, die vrijwel volledig in hun eigen behoeften kunnen voorzien.

Ook Levers zelf, 39, succesvol in zijn werk en woonachtig in het voor aborigines mondaine Cairns, heeft een verzoek ingediend om in Buru te mogen wonen. Het heeft vooral te maken met zijn verleden als alcoholist. Op zijn vijftiende had hij de mazzel om door enkele Yalanji-ouderen uit de goot te worden getrokken. Nu hoopt hij zelf iets te kunnen betekenen voor enkele van zijn huidige generatiegenoten die de alcohol en drugs nog steeds niet kunnen laten staan.

Levers spreekt over een «elders university», waar stamoudsten hun wijze levenslessen overbrengen op ontspoorde jongeren, die elk jaar een paar maanden naar Buru komen om de spirituele band met het land te herstellen. Helemaal terug naar het eenvoudige, ruige leven van vroeger zit er voor Levers zelf niet meer in. «Ik woon al zo lang in de stad en heb te veel geproefd van alles wat de stad biedt om het te laten staan. Af en toe wil ik ook graag mooie vrouwen zien langslopen en een gezellige kroeg in kunnen gaan.» Hij ziet het als een uitdaging. «Ik wil het beste van twee werelden.»

Na een carrière als suikerrietsnijder besloot de nu 84-jarige Peter Fischer in 1992 een eventuele juridische procedure over traditionele landrechten niet af te wachten. Met twee bijna even oude vrienden — ook Yalanji’s — vestigde hij zich illegaal in een zelfgebouwde hut in het gebied dat bekend stond als China Kamp Station, naar de Chinese goudzoekers die hier aan het einde van de negentiende eeuw hun geluk kwamen zoeken, en meestal niet vonden.

Fischer, beter bekend als Uncle Peter, woont er nog steeds, samen met Uncle George. Een van de vrienden is overleden. Ze bouwden de afgelopen jaren met eigen handen een paar huizen en schuren, van golfplaat, houten balken en landbouwplastic en leefden van wat het bijzonder vruchtbare land ze opleverde.

Sterker nog, dat doen ze nog steeds, hoewel Uncle Peter en Uncle George daar inmiddels wat hulp van jongeren bij nodig hebben. Het is een hard leven dat ze leiden, zo geven ze beiden toe, maar ze zouden niet anders willen. Deze plek is waar ze thuishoren. Hier voelen ze elke dag hun verbondenheid met het land; hier zijn ze gelukkig.

China Kamp heet nu Buru en we worden bij binnenkomst van het gehucht, na een urenlange tocht met een jeep door de jungle, allerhartelijkst ontvangen door de officieuze burgemees ter, de 35-jarige Jay Burchill. Hij heeft net bezoek van de «bushdokter», die zich bezorgd toont over Jays veel te hoge bloeddruk van 180/100.

«Het komt allemaal van de stress», vertelt Jay, iets wat voor ons westerlingen moeilijk te geloven is. Het is hier immers allemaal puur natuur en het dorpje telt nog geen vijftien inwoners. Waar zou je je dan druk om maken? Maar het is toch echt zo, bezweert de burgemeester, die al jaren vecht tegen de autoriteiten voor erkenning van de status van Buru. Jaren sjouwen van vergadering naar vergadering tussen de ministeries van Natuur en Volkshuisvesting, met aboriginalbelangenorganisaties, met advocaten, hebben hun tol geëist. «Ik mag van de dokter niet meer vergaderen», zegt Jay met een sip gezicht.

Met twee oude tantes leeft hij in een huis dat vergelijkbaar is met dat van Uncle Peter. Een paar oude, vieze matrassen, een televisie met wat video’s en een satelliettelefoon in de hoek vormen het magere interieur. Op het erf houden een paar gespierde honden de wacht, bij wat gereedschap, roestige vaten en een oude truck. Jay leeft van de bijstand en van het land. Af en toe gaat hij vissen of op zwijnenjacht. De rest van de dag werkt hij aan de vervolmaking van zijn huis. Het is niet makkelijk, maar hij zegt gelukkig te zijn. Als die verdomde autoriteiten nou maar eens zouden meewerken. «Ze kwamen hier tot voor kort nog regelmatig om ons te vertellen dat we moesten verdwijnen. Als we niet gingen, zouden ze een rechtszaak beginnen en ons met geweld verwijderen. Pure bangmakerij», weet Jay. Toch hebben sommige bewoners van Buru eieren voor hun geld gekozen en zijn vertrokken. Tot een rechtszaak is het nooit gekomen, en Jay weet waarom: «Ze weten dat dit ons land is. Wij hebben er nooit afstand van gedaan.»

Jay droomt van een dorp met zo'n honderdvijftig Yalanji’s die voor zichzelf kunnen zorgen en leven van het toerisme. «Wat is er nu mooier voor toeristen dan de verhalen over dit gebied te horen van de aborigines zelf? Nu vertellen blanke gidsen allerlei onzinverhalen. Toeristen mogen motorcrossen boven op onze heilige waterval Roaring Meg en laten allerlei rommel achter», vertelt Jay verontwaardigd.

Later, in het huis van Uncle Peter, horen we van het belang van de Roaring Meg. Volgens de overlevering werd daar een «goede man» door «verkeerde mensen» naar beneden gegooid. Dood natuurlijk, maar tot grote schrik van zijn moordenaars keerde het slachtoffer elke dag, stroomopwaarts, weer terug naar de top. Het verhaal is al tienduizenden jaren oud en lijkt verdacht veel op de geschiedenis van de wonderbaarlijke verrijzenis van Jezus uit het graf.

Ondanks de schamele behuizing biedt de bejaarde man zijn gasten slaapplaatsen en eten aan. En hij vertelt, grotendeels via de mond van de jonge, blanke goudzoeker Glenn Doran die hier acht jaar geleden samen met zijn vriend P.J. Wal lace op goed geluk naartoe kwam en nooit meer wegging. Glenn, die de aboriginaltaal kuku yalanji inmiddels volledig beheerst, is als een zoon voor Uncle Peter. «Hij toont meer respect voor onze cultuur dan de meeste aborigines.»

Uncle Peter vertelt over zijn vader, Dick Fischer, die begin 1900 van zijn werkgever alle contact met mede-aborigines moest afzweren, in ruil voor een loonsverhoging. Hij herinnert zich zijn jaren als suikerrietsnijder en vooral dat moment waarop hij een zonnesteek opliep en voor zijn gevoel eventjes in de hemel was. «Welke kleur Jezus had? Lichtbruin!» De tuin achter het huis van Uncle Peter is net zo ingericht als de «Garden of Eden» die hij in de hemel zag. Sinds zijn bijnadoodervaring is Uncle Peter diepreligieus.

Op zijn eigen manier was hij dat natuurlijk al. Heel veel oude aboriginalverhalen over essen tiële onderwerpen als de schepping, over zonde, over de relatie tussen man en vrouw, over een Opperwezen, vertonen een verbluffende gelijkenis met wat in de christelijke leer wordt onderwezen. Bijzonder cynisch is het daarom dat de Engelse kolonisten — in de achttiende en negentiende eeuw misschien overtuigd van hun christelijk gelijk — niets liever deden dan de aboriginalcultuur kapotmaken en de kinderen proberen te bekeren. «Maar bekering was helemaal niet nodig», zegt Glenn. «Waarom zochten ze niet naar de overeenkomsten in plaats van alles te vernietigen?»

Via Uncle Peter vertelt Glenn over het ongelofelijke verhaal van de witte man die lang geleden in de buurt van Buru ernstig gewond raakte. «Hij lag voor dood langs de kant van de weg, met zijn darmen eruit. Iedereen liet hem liggen. Maar een aboriginal kwam naar hem toe en nam hem mee naar huis. De man genas. Het was toch niet gek geweest als ze hem hadden laten liggen, na alles wat ze is aangedaan?» De tranen staan Glenn in de ogen. «Aborigines hebben een kop boordevol met liefde, maar die kop wordt steeds leger.»

Uncle Peter valt hem in het Engels bij. «Het enige wat we willen, is op het land van onze voor vaderen geboren worden en er ook weer sterven. We willen gewoon met rust worden gelaten.» Glenn legt uit: «Het gaat niet om geld of compensatie, zoals sommigen willen doen geloven. We willen alleen op ons land wonen en ervoor zorgen. Ze dreigen ons al met een rechtszaak als we hier een boom omhakken om een huis te bouwen. Terwijl de boeren met hun chemicaliën hier hele bossen hebben vergiftigd.»

In Wujal Wujal, een aboriginalgemeenschap van vierhonderd zielen, ooit opgezet door de Lutherse missie, staat burgemeester Peter Wallace — net als Uncle Peter een Yalanji — op het punt uit het dorp te vertrekken om in Buru een nieuw huis en een nieuw leven op te bouwen.

Helaas moet dat zonder zijn ooit aan de alcohol verslaafde zoon, die vorig jaar zelfmoord pleegde en zich midden in het dorp ophing. Het was een traumatische ervaring, enigszins gecompenseerd door het feit dat zijn vrouw weer bij hem is. Nog niet zo heel lang geleden, nadat zij jarenlang met lede ogen had aangezien hoe haar echtgenoot zich ontpopte tot dief en zware alcoholist, besloot zij Wallace te verlaten. De burgemeester, die nu naast zijn publieke functie vooral actief is als gezondheidswerker, heeft ervan geleerd. «Door haar vertrek, samen met mijn jongste zoon, ging ik eindelijk nadenken en liet me opnemen in een afkickcentrum. Een aboriginaloudste heeft me geholpen er weer bovenop te komen. Ik weet nu dat je wel van het water in de rivier mag drinken, maar niet moet proberen de loop van de rivier te veranderen. Dat deed ik toch.

Ik had geen respect meer voor mijn cultuur. De regenboogslang (de god van de aborigines — gm) maakte me daarom heel erg ziek. Om mezelf te genezen moet ik nu terug naar het land van mijn voorouders, terug naar Buru. Ik ga jagen, paardrijden, lekker de natuur in. Ik moet mijn kop weer helder krijgen.»

Datzelfde geldt voor heel veel aborigines, weet Wallace. Ook Yalanji-aborigines, van wie een groot aantal verslaafd is aan alcohol en drugs. Kleine kinderen snuiven zich kapot aan benzine om de ellende te vergeten. Dag en nacht hangen ze rond in de parken in de steden, waar ze niets anders doen dan kaarten, zuipen en bedelen voor een dollar van de blanke toeristen. En ze verwijzen volgens Wallace massaal naar het verleden om hun gedrag te rechtvaardigen.

Dat is ten onrechte, meent Wallace. «Veel mensen zitten opgesloten in het verleden. Maar het gaat om de toekomst; we moeten onszelf genezen, niemand anders doet het voor ons. Het medicijn is terug naar de basis, terug naar het land en luisteren naar de ouderen. En het moet snel gebeuren, want er is geen tijd te verliezen. De achterstand met de rest van de wereld wordt steeds groter.»

De visie van Wallace komt een eind in de richting van waar de invloedrijke aboriginalleider Noel Pearson naartoe wil. De jonge advocaat uit Cape York won vorig jaar een Geuzenpenning voor zijn werk op het gebied van traditionele landrechten en staat vooral bekend om zijn uiterst controversiële, maar vaak rake uitspraken.

Hij walgt van aboriginalorganisaties die alcohol en familiegeweld als symptomen van ellende beschouwen. «Ga toch weg. Zulke excessen staan op zich. Iedereen heeft een vrije keuze. Je vrouw en kinderen in elkaar slaan is onacceptabel, wat er ook met je is gebeurd.»

Het beste medicijn tegen het trauma dat aborigines is aangedaan, is volgens Pearson om hard te werken, iets wat vooral de middengeneratie is verleerd. «Zij zijn sinds 1967 (toen aborigines gelijke burgerrechten kregen — gm) opgegroeid met de bijstand. Dat is als een virus, het neemt het langzaam over van de mensen. Het is de ironie van het linkse gedachtegoed: ze bedoelden het goed door voor ons een sociaal vangnet te bouwen, maar in feite werden we verder vergiftigd.»

De wederzijdsheid in de economie moet terugkomen, vindt Pearson. «Aborigines moeten weer zelf beslissen wat ze willen en kunnen. Maar er moet natuurlijk wel echt werk zijn. Papierprikken in het park telt niet.» Hij walgt van initiatieven als de wandeling over de Sydney Harbour Bridge voor verzoening. «Allemaal symboliek en ceremonieel. Daar schieten we helemaal niets mee op. Ik wil concrete acties zien, een duidelijk antwoord hebben op de vraag wat de economische positie is van aborigines in deze samenleving. Pas daarna is het tijd voor rituelen.»

Pearson zelf is met de overheid van Queensland, het bankwezen en een groot aantal aboriginalorganisaties op tal van punten bezig om de economische mogelijkheden van zijn volk te verbeteren. «Het is een langetermijnplan dat zeker twintig, dertig jaar zal vergen om uit te voeren. Onderwijs is daarin natuurlijk van belang. Maar ook speciale kredietfaciliteiten van banken voor aborigines. Met nieuwe regels, zodat je bijvoorbeeld als gemeenschap van aborigines leningen kunt aangaan en zo toch kunt aanschaffen wat je nodig hebt. Aborigines moeten ook meer geprikkeld worden: voor elke dollar die je uitgeeft aan onderwijs van je kind, krijg je een extra dollar, ik noem maar wat. Zo krijg je mensen tenminste in beweging.»

Uiteindelijk ligt de uitdaging wat Pearson betreft in het klaarstomen van een nieuwe generatie aborigines voor twee totaal verschillende culturen. Ze moeten uit de voeten kunnen in de westerse wereld, zonder hun eigen achtergrond te verloochenen. Dat ze dan misschien niet zo rijk worden als Bill Gates moeten ze maar op de koop toe nemen. «Je moet realistisch zijn. Aborigines zullen, zeker in afgelegen gebieden als Cape York, economisch gezien altijd onder het gemiddelde blijven. Als ze een dure levensstijl willen, dan gaan ze maar naar de stad.»