Trek het lichaam om

Geregeld houd ik me bezig met de vraag of ik genoeg van een kind zou kunnen houden. Natuurlijk weet ik het antwoord al: liefde voor je kind is in de meeste gevallen een automatisch gegenereerd proces, een beetje zoals lichaamsbeharing. Een vanzelfsprekende constante die ongeacht angsten of humeur aangroeit en aangroeit en aangroeit.

Soms maak ik de fout de vraag aan anderen voor te leggen. Het gelach dat volgt komt voort uit hilariteit, ongemak en ongeloof. Niemand kan zich voorstellen niet van zijn kind te zullen houden en ikzelf eigenlijk ook niet. Misschien is het precies die onvoorwaardelijkheid die me zowel verontrust als aantrekt. ‘Het is echt veel leuker dan lichaamsbeharing, hoor’, zegt een vriendin die onlangs moeder werd en die het gevoel heeft me te moeten overtuigen.

Mijn manier om met levenskwesties als deze om te gaan, is om er allerlei zorgelijke factoren van te bedenken en dan in te schatten in hoeverre die factoren mij afschrikken. ‘Het egoïsme om kinderen te krijgen’, lees ik in de roman Moederschap van de Canadese schrijfster Sheila Heti, ‘is vergelijkbaar met het egoïsme een land te koloniseren. Allebei dragen ze de wil in zich om je stempel op de wereld te drukken, en die naar jouw waarden en in jouw beeltenis te herscheppen.’ Even later concludeert Heti dat de wil om boeken te schrijven eigenlijk eenzelfde soort egoïsme nodig heeft. Schrikt egoïsme mij af?

‘Mijn gelovige nicht’, vervolgt ze, ‘die even oud is als ik, heeft zes kinderen. En ik heb zes boeken. Misschien is er niet zo’n groot verschil tussen ons.’ En een bladzijde eerder: ‘Soms ben ik ervan overtuigd dat een kind aan alles diepgang zal geven; een ondertoon aan diepgang en betekenis aan alles wat ik doe.’ Ik vraag me af of diepgang en betekenis mij afschrikken.

Inmiddels ben ik erachter dat ik niet zozeer op zoek ben naar geruststelling of goedkeuring (ik word moe als mensen zeggen: je zult een geweldige moeder zijn, of: lieverd, je hebt alle vrijheid om er niet voor te kiezen), ik ben op zoek naar de juiste drijfveren voor het moederschap. (De vriendin waarover ik net schreef, noemt dit overigens Paalman-pragmatiek, en het was ook zij die zei: ‘Misschien vraag je je niet af of jij genoeg van een kind kunt houden, maar of een kind genoeg van jou kan houden.’)

Soms denk ik aan het gedicht Wenken van Ester Naomi Perquin. Het lijkt over een kind te gaan, een kind dat aan het donker moet wennen, zijn naam moet leren kennen, plompverloren praat en een lichaam heeft dat almaar verandert. Maar hoe vaker ik het gedicht lees, hoe meer ik het gevoel krijg dat het niet alleen over dat kind gaat, maar ook over mij.


Dit was de laatste poëziecolumn van Iduna Paalman. Vanaf volgende week is Ester Naomi Perquin terug

Wenken

Laat als het donker wordt geen lichten aan. Het moet
weten waar het is, hoe het bestaat in de vage schemer
van de eigen naam, niet bij de doelloze gloed
van een beer of een maan aan de wand.

Luister wanneer het plompverloren praat. Zet het
onderaan de keten – wacht dan tot het boven is.

Teken stappen na, zet streepjes op het behang,
trek het lichaam om zodra het overgaat.
Bewaar altijd één hand in gips.

Ester Naomi Perquin
Namens de ander, Van Oorschot, 2009