‘Trekt u uw broek maar uit, Mohammed B.’

Onlangs had ik het weer: een verlangen naar Amsterdam in de jaren zeventig. Ik was in de twintig, ik studeerde en ik gaf les op een school voor Huishoud- en Nijverheidsonderwijs.
Ik had een klas vol ‘anderstaligen’, maar geen van de dames droeg een hoofddoek. Ze kwamen uit Somalië, uit Suriname, uit Marokko, Turkije, maar ook uit Italië en Spanje.
Ik maakte me druk over de zogenaamde ‘Internationale Schakelklassen’.
Dat waren klassen waarin men alleen Surinamers, Turken, Marokkanen et cetera stopte – en die van de anderen de bijnaam ‘De Turkenburcht’ kregen.
Ik vond die Schakelklassen discriminerend, omdat men (de onderwijzers) op kleur selecteerde. Ik meende dat door ‘gemengd onderwijs’ te geven de leerlingen met een taalachterstand beter en sneller Nederlands zouden leren.
Er was op de school waar ik lesgaf een Surinaamse onderwijzer die tegen mij zei dat het lesgeven aan ‘anderstaligen’ eigenlijk onmogelijk was. De leerlingen zouden altijd een te grote achterstand houden. Ik was het na een jaar met hem eens, maar meende dat dit lag aan de manier van lesgeven.
Ik heb toen zelf een lesmethode ontwikkeld, die het helaas nooit heeft gehaald.
We zijn nu dertig jaar verder. Ik geef al 22 jaar geen les meer. Ik ben blij toe. Ik heb het onderwijs steeds meer achteruit zien gaan. Ik heb geen vertrouwen meer in de leerlingen en studenten van nu.
Onlangs moest ik in het VU-ziekenhuis zijn en toen zag ik daar een verpleegster met een hoofddoek. Ik dacht: zou ik eigenlijk wel een arts willen consulteren die het islamitische geloof heeft en vrouw is?
In eerste instantie interesseerde haar geloof me niet. Ik heb soms ook een vrouwelijke huisarts en misschien is die wel zwaar christelijk. Maar ik kreeg het benauwd als ik dacht aan het onderwijs dat ze had gehad. Hoe wist ik eigenlijk dat de artsen van nu goed zijn? Omdat ze een diploma hadden? Ach, dat middelbareschooldiploma van nu stelt ook niets voor. Waarom zou dan opeens het artsendiploma wél iets voorstellen? En toen dacht ik aan het islamitische geloof. Een vrouw wordt in dat geloof niet al te positief gezien, een man wel. Maar wat betekende dit voor het medisch handelen? Zou ze me helpen bij euthanasie, bij klachten aan mijn geslacht? Zou ze m’n ballen voelen? Zou ze mijn voorhuid naar achteren trekken om eens te kijken wat ik mankeer? Zo nee, hoe weet ik dan dat zij de juiste diagnose stelt mocht ik ergens last van hebben?
Ik belde een vriend van mij die homoseksueel is en legde hem het probleem voor. Die vriend was er heel stellig in: als ik een islamitische dokter zou krijgen, man of vrouw, dan ga ik niet naar hem of haar toe. Het kan een heel keurige arts zijn, maar ik zou hem of haar wantrouwen.
Ik vroeg hem of die angst wel terecht was. Ik bedoel: stel, wij waren artsen, wij kennen toch ook mensen die wij minder sympathiek vinden of wier mening wij totaal afkeuren? Die zouden we toch gewoon helpen? Stel, Mohammed B. komt in mijn praktijk, dan is het toch niet eens een vraag of ik hem zou helpen of niet? Ik zou hem uiteraard helpen. ‘Trekt u uw broek maar uit, Mohammed B.’
Mijn homoseksuele kennis vond dat toch iets anders. ‘Een fanatiek christelijke arts keurt mijn leven ook af, maar hij is opgevoed met vergeving. Die islamitische arts niet. Die is opgevoed met barmhartigheid. Het zou best kunnen dat hij mij een lesje wil leren, door me te laten lijden.’
We kwamen er niet uit.
Een oud-leerling van mij is toevallig arts geworden. Marokkaanse. Ik kom haar wel eens tegen. Ze vindt mijn manier van denken en schrijven ‘afgrijselijk en Wilders-achtig’.
Ik vertrouw haar mijn penis, scrotum en testikels toe en zal, medisch gezien, precies doen wat zij zegt.