Treurig liefdespaar

Ze staan bekend als hét liefdespaar van de twaalfde eeuw, Abélard en Héloïse. Als de Romeo en Julia van de middeleeuwen. De liefde tussen de wetenschapper en het twintig jaar jongere meisje was, zo luidt de gemeenplaats, van het romantische, tragische soort. Zij werd zwanger en bracht hun zoon in het geheim in zijn geboortestreek ter wereld. Hij wilde met haar trouwen omdat hij haar eer wilde redden, zij wilde niet met hem trouwen om zijn eer niet te bezoedelen.

Ze trouwden toch. Abélard bracht zijn vrouw tegen haar zin als non in een klooster onder. Onwillig legde zij de geloften van de kloosterlinge af. Haar oom en voogd nam gruwelijk wraak door Abélard in zijn slaap te laten ontmannen. Een ‘kortstondige straf’, zou Abélard de castratie later noemen, en een 'heilzame verwonding’. Ook hij trok zich in een klooster terug. Het liefdesverhaal leek voorbij.
Totdat er jaren later een briefwisseling tussen de voormalige geliefden ontstond. Zij schreef hem vurige brieven, waarin ze hem als haar 'grote liefde’ aansprak en als haar 'enige na Christus’. Hij schreef onpersoonlijke epistels terug. Haar liefde was belangeloos: 'Ik was er niet op uit mijn eigen begeerten en verlangens te bevredigen, maar de jouwe, en niemand weet dat beter dan jij.’ Hij werd niet door liefde maar door hartstocht gedreven. In haar eerste brief aan hem vroeg ze hem waarom ze, nadat hij haar in het klooster had opgesloten, geheel uit zijn herinnering was verdwenen. 'Kon ik maar omstandigheden bedenken’, schreef ze, 'om jouw gedrag goed te praten en daarmee ook op de een of andere manier bij mezelf het gevoel wegnemen als een goedkoop gebruiksartikel te zijn beschouwd.’
Het is kortom maar de vraag of Abélard en Héloïse hét liefdespaar van de twaalfde eeuw waren. In ieder geval was hun liefde kortstondig en ongelijkwaardig. In hun correspondentie proberen beiden, hij meer dan zij, hun liefde naar een hoger, geestelijk plan te transformeren.
De briefwisseling met Héloïse is nu voor het eerst helemaal in het Nederlands vertaald door Chris Tazelaar. Ze bevat, naast theologische uiteenzettingen, schitterende hartstochtelijke en smartelijke passages. De correspondentie begint met een lange brief van Abélard aan een - denkbeeldige - vriend, geschreven in 1131-1132. Histoiria calamitatum mearum heet de brief, 'Relaas van mijn rampen’. Het is een lange jammerklacht over leermeesters, (mede)leerlingen, abten en monniken die zijn genialiteit niet kunnen verdragen. Het gaat veel over zijn in aanzet glanzende carrière en faam, zijn onweerlegbare filosofische en religieuze inzichten, en de jaloezie die dit alles doet ontbranden.
En het gaat over Héloïse, het jonge meisje dat hij onder de dekmantel van onderwijs inwijdt in de liefde: 'De brieven lagen open op tafel, maar we spraken meer over de liefde dan over lectuur en we wisselden meer kussen dan meningen uit. Mijn handen belandden vaker bij haar boezem dan bij de bladzijden, en we lazen meer de liefde in elkaars ogen dan de regels in de boeken.’
Het is een wat opschepperig betoog, dat relaas over zijn rampen. Hoe kan het ook anders als je zo geniaal en gevierd bent - 'Ik was immers in die tijd zo'n beroemdheid en bovendien zo'n knappe jeugdige verschijning.’
Gelukkig leest Héloïse de jammerklacht in haar klooster en ze schrijft hem een brief. De echte briefwisseling is prachtig.