Jagget, Furby en de Sprekende Knuffelpony: geestdodende hoererij

Treurig speelgoed

Speelgoedbrochures weerspiegelen de tijdgeest. Kijk maar naar Jagget, Furby, de Sprekende Knuffelpony en hun hoerige, gezagsgetrouwe, geestdodende wereld.

De pakjesavonden zijn aanstaande. Sinterklaas legt alle Nederlandse ouders op het offerblok. Het grote graaien is begonnen: een kind wil net als grote mensen oogsten, groot en veel. En dus verdwijnen de brochures van Bart Smit en Intertoys ditmaal niet ongelezen in de prullenbak maar scannen we de speelgoedmarkt op irritatieresistentie waar die moordgevoelens en gewetenswroeging smoort in de beduimelde gemeenschapsband die ons gezinnen tot de hoeksteen van de samenleving maakt.

We zijn niet roomser dan de paus. Dat dochters Barbies willen en zoons Zorro-maskers is een onontkoombaarheid waar zelfs de meest principiële rolpatroondoorbreker mee leert leven. Wel stellen we een grens aan wat we op het vlak van grof geweld of rolbevestigende tuttigheid verdragen. De Kap-Make-Up Kop, een Barbie-hoofd met ogen als schotels en lippen waar het koppel van Vanessa drie keer in verdwijnt, komt er om redenen van hygiëne dus niet in. Even non grata is een nieuw model pop, de Jagget. De Jagget-familie telt vijf leden, stuk voor stuk te vies om aan te pakken: Suzy Sprint, Paula Pop, Peter Play, Megan Byte en Shashi-Mi. Samen zijn ze één groot Oude Pekela van naveltruitjes, zuig lippen en zaadvragende ogen die de grootste vrijdenker tot onverzoenlijke moraalridder beheksen. Pervers is zacht uitgedrukt.

Toch is Jagget volgens de Intertoys-brochure genomineerd als «speelgoed van het Jaar 2005»: «Stoere baby’s met pit. Ze zijn een beetje gek en houden van mode, muziek en uitgaan.» Baby’s, uitgaan? Wel in het wonderland van Intertoys, met luier en al. «Ga met Jaggets op avontuur. Kleed hen aan met de mooiste accessoires.» Zoals? De Jaggets Verzorgingsset, bestaande uit een lichtgevende speen «en twee verwisselbare frontjes». Of Jaggets lichtgevende schoenen, tas, bril of bandana. «Maar hé», komt Intertoys weer sluw ter zake, «vergeet jezelf niet te verkleden.» Want dat kan natuurlijk óók weer dankzij Intertoys. Met de Verkleedset Assepoester, de Verkleedset Elfje of de Prinsessenjurk met Vleugels.

Dat nooit. We zoeken speelgoed met een menselijk gezicht, een spoor van westerse beschaving, van karakter. Het blijkt vrijwel on begonnen werk, al is zo’n speelgoedbrochure juist daarom zulke leerzame lectuur. Het zijn griezelige tijden. Met modern speelgoed is het als met mensen; er moet steeds meer kunnen, als het maar in de pas blijft lopen. Wie nu in Nederland vooruit wil, lees de vacatures, moet als was zijn. Zonder flexibiliteit, veranderingsgezindheid, stressbestendigheid, pragmatis me, openheid, integriteit, ruimhartigheid, team geest, intuïtie, klant- en resultaatgerichtheid of – waarom ook niet – gezond verstand kunnen de werknemers van vandaag naar de beloning voor hun kunnen fluiten. Zo hebben personeelsafdelingen in stad en land een generatie van karakterlozen aan de macht gebracht die Nederland vergiftigt zoals Intertoys de jeugd: met een regime van opzitten en pootjes geven.

De koppen van de Jaggets kijken of ze elke dictatuur blijmoedig zouden slikken zolang aan ideële speerpunten als mode, uitgaan en muziek niet wordt getornd. Dankzij de speelgoedindustrie bestormt een stoet van mee lopers de kraam- en kinderkamers. Babypop Sophie «lacht, drinkt, ademt en maakt geluidjes», net hoe je het wil hebben. «Als je haar op haar rug legt, ademt ze rustig en valt ze in slaap.» Braaf zo. De Lucy Star-pop zet het op een lopen als je klapt, en zingt een liedje. «En als je nog een keer klapt zingt ze haar tweede liedje.» Looppop Barbara? Geef haar een hand en ze loopt met je mee. Bevel is bevel. Daar steekt een kind tenminste wat van op.

Ik nam de proef op de som en kocht voor nader onderzoek wat ik mijn kinderen uit pedagogische motieven altijd heb misgund, het ergste van het ergste. De Furby. De Jagget. En de Sprekende Knuffelpony.

Sprekende Knuffelpony is een paard zoals een sentimentele alien het na één verkenningsvlucht boven Ponypark Slagharen had kunnen schetsen. Het is een surrealistische, Disney-achtige reductie van het beest tot de zintuiglijke prikkels Ogen (groot, blauw, zwaar bewimperd), Manen (weelderig, in een perverse kleurspoeling uit geel en roze) en Mond (in de zuigstand, klaar voor de fles). Dit is een seks pop voor de prehormonale fase. Zet de schakelaar in Pony’s buik op de stand «play» en Knuffelpony gaat voor dood liggen met de dikke beentjes wijd gespreid, het ganse ponylijf gevat in een wanstaltig roze kruippakje met kanten kraag. Een aai over zijn rug genereert een poging tot opstaan, begeleid door de treurige robotgeluiden die zijn elektromechanische inborst noodlottig vergezellen. Natuurlijk komt van zijn verrijzenis niets terecht. Sprekende Knuffelpony moet zo hulpeloos mogelijk blijven. De vertedering die hij oproept, staat of valt bij zijn totale afhankelijkheid van het kind dat hij bij het ontwaken liefkozend zijn «mama» noemt: Sprekende Knuffelpony is er alleen om te behagen.

«Goeiemorgen mama», piept Sprekende Knuffelpony na de eerste ochtendstreling met het stemmetje van Shirley Temple, «ik hou van jou; mag ik een kusje?» Knijp in de linkerhoef, en het dier heft een gekir aan dat door merg en been gaat. Wie hijgpony zijn flesje geeft, zoals ik heb gedaan, hoort uit zijn binnenste tevreden klokgeluidjes komen. Geef hem de speen, en hij gaat liggen om te slapen, met een gaapje en de hijgerige uitsmijter «slaap lekker». Daar gaat het om: liefde, vrede, rimpelloze hoerigheid.

Het kind dat aan Knuffelpony is ontgroeid vindt Furby op zijn weg, een van de populairste speeltuigen van deze tijd. Een fabeldier met grote oren en een snavel, wollig lijf en onzichtbare platvoeten, waarmee hij kan dansen. Hij lijkt op een Gremlin, het monstertje dat in een handvol bioscoopsuccessen ko misch griezelig de mensheid treiterde. Furby is zijn lieve neefje. Op de doos waarin hij is verpakt stelt hij zich voor. «Hoi! Ik ben Furby! Hoe meer je met mij speelt, des te meer kan ik. Ik ben dol op spelen en ik kan je moppen vertellen, een spelletje doen, zingen en zelfs dansen! Neem me maar gauw mee naar huis… dan word ik je allerbeste vriendje.» Dat is dan 45 euro, lieve ouders.

Wat is het geheim van zijn prijs? Zijn ge voelsleven. Furby, mijn «emotiotronische vriend je», kan horen en begrijpen wat ik zeg. «Emotiotronica», verklaart de doos namens zijn schepper, «betekent dat ik je met mijn gezichtsuitdrukking en de klank van mijn stem kan laten merken hoe ik me voel als wij samen spelen. Kijk maar hoe mijn gezicht verandert van blij naar verdrietig, van bang naar hongerig, van slaperig naar verlegen… en nog veel meer.»

Verder kan Furby met al zijn Furby-vriendjes praten, wat naast het beest vooral de kassa van zijn makers zeer te stade komt. Het vocabulaire van het Furbish is beperkt, maar het spreekt wel de taal waarmee pragmatici ver komen. «Kaa/ mee-mee/ oe-naj» staat voor «ik houd van jou»; «mee-taa» is «kus me»; «nie-taai/ ka» betekent «kietel me».

Thuis klik ik Furby aan met de schakelaar tussen zijn pootjes. Met mijn duim druk ik op Furby’s buikje, waar zijn g-plek zit.

«Jij vindt leuk mij, hè?» kakelt Furby.

«Nee», zeg ik.

«Oh-oh», zegt Furby. Hij laat zijn oren hangen en hij sluit zijn oogjes. Baas boos, slaaf in zak en as.

Een moderne werknemer. Een pleaser. Moppen tappen, zingen, slijmen. Wanneer je Furby vraagt te dansen, danst hij, naar jouw pijpen ui teraard. Als incarnatie van de tijdgeest ideale oe fenstof voor personeelschefs van de toekomst.

Nog een test.

«Jij vindt leuk mij, hè?» vraagt Furby andermaal.

«Ja!»

En Furby kraait uit volle borst een opgetogen «iep», of kirt tevreden. De mondhoekjes van Furby’s snavel krullen blij omhoog.

Kijk. Zoals in onze grotemensenwereld de karakters en onhandelbaren hebben afgedaan, zijn in de wereld van Bart Smit de onbehouwen knuffelberen en meccanodozen afgedreven naar de marge. Meccano vergde inzicht en slag vaardigheid, zo’n beer verbeeldingskracht; de kinderlijke fantasie die blokken hout of lappen stof tot leven wekt door in dat ruwe materiaal een vorm of de contouren van een zielenleven te ontwaren, iets van een evenbeeld. Die tijd van constructieve, zinvolle projectie is voorbij. Tussen de puzzels, poppen huizen, racebanen en gereedschapskisten baant een Brave New World van games en spraakgestuurde griezels zich geestdodend een weg naar de volwassenen van morgen.

Kijk naar de namaakfauna in de Intertoys-brochure: de werkelijkheid heeft de verbeelding ingehaald. De Roboraptor, een «zeer realistische dinosaurus met een unieke combinatie van technologie en persoonlijkheid», be schikt over een scala van eveneens «zeer realistische lichaamsbewegingen» en versimpelt in de geest van Furby het gevoelsleven tot een meerkeuzetoets. Zoals Furby zijn verschrikkelijke kop kan plooien in de modi «blij», «verbaasd», «slaperig», «bang» en «verdrietig» le vert ook de Roboraptor gevoelens op maat uit een keuzepakket van «drie verschillende stemmingen»: «agressief», «op zijn hoede» en «vriendelijk». Agressief? Wat nu? Geen zorg: de afstandbediening heeft het laatste woord.

Een pop, het beest, een plastic dinosaurus: het vertier moet in de eerste plaats gedienstig en van alle markten thuis zijn. Praten, dansen, hijgen, grommen, salto’s maken, frisbees gooien. En bovendien interactief zijn, het liefst binnen het kader van een machtsverhouding waarin een spelend kind de baas is. Een sprekende pop behaagt op commando, net als de manager die produceert zolang de baas er geld in stopt. De boodschap dat verveling zich met gadgets laat bestrijden kan er blijkbaar niet vroeg genoeg worden ingeramd. Is dat erg? Ja. Vooral voor ouders die het moeten aanzien.

Wat voelt een kind dat ’s ochtends met zulk speeltuig in het jeugdige vizier ontwaakt? Vertedering? Uitgesloten. Het uiterlijk van de speelkameraadjes roept vele gevoelens op, behalve genegenheid. De populaire Jagget doet aan Chucky denken, de moordende pop uit een Amerikaanse horrorfilm. En hoe je het ook wendt of keert, ook Furby blijft een Gremlin.

Daar drukt mijn dochter op de knop in Furby’s buikje. «Jij vindt leuk mij, hè?»

Sofie: «Ik zeg pas dat ik van je houd als je voor me danst.»

Voor wat hoort wat. Verpest voor het leven.

Furby, onverstoorbaar: «Jij houdt van mij, hm?»

«Nee!»

«Oh-oh.»

Sofie, schaterend: «Weet je wat? Ik ga ’m expres verdrietig maken.»

Vertrappen hoeft niet meer: de dag daarop is Furby naar de knoppen. Het eens zo kwieke beest stoot, met de robotoogjes onnatuurlijk wijd geopend, nog slechts afatische geluiden uit in een verknipte taal die zijn twee moeder talen heeft verhaspeld tot een tragikomisch, on verstaanbaar knuffelesperanto. Voor het eerst vind ik hem sympathiek. Hij doet me denken aan de mens, die zich verstaanbaar tracht te ma ken; hij is symbool geworden van de condition humaine. Hardhandig schudden blijkt vergeefs; zijn ondergang blijkt onafwendbaar. Misschien zijn het gewoon de batterijen. Maar ik moet van hem af, tot heil van mijn kinderen. Met een be klemd gevoel laat ik de stakker in de vuilnisbak verdwijnen. Hij sprak, dus hij was. Ik heb een moord gepleegd. Het mag een wonder heten dat de Knuffelpony en de Jagget nog in leven zijn.