De treurige vijftigste verjaardag van europa

Treurmars voor Europa

Op 25 maart 1957 werd in Rome de Europese Economische Gemeenschap opgericht. De uit zes landen bestaande EEG is vijftig jaar later uitgedijd tot een 27-koppige EU. Maar van een constitutionele basis is nu minder sprake dan voorheen. En founding father Nederland wordt genegeerd.

Het wordt zondag een merkwaardig feest in Berlijn. Een treurmars zou niet misstaan bij de herdenking dat vijftig jaar geleden het Verdrag van Rome werd gesloten. De Europese Unie is al sinds 2005 in crisis en de regeringsleiders van de 27 lidstaten weten geen oplossing. De plechtige verklaring die ze zondag zullen afleggen, over al het goede dat met de Europese integratie is bereikt en de vele uitdagingen die in het verschiet liggen, zal daar niet veel aan veranderen.

De Duitse bondskanselier Angela Merkel, de huidige voorzitter van de Europese Unie, wil met een Verklaring van Berlijn de regeringen stimuleren om het eens te worden over een nieuw Europees verdrag. Dit moet in de plaats komen van het grondwettelijk verdrag dat bijna twee jaar geleden bij referenda in Frankrijk en Nederland werd afgewezen. Van de regering in Den Haag moet Merkel het echter niet hebben bij haar streven om zoveel mogelijk overeind te houden van die ‘grondwet’.

Toen de Europese regeringsleiders in 2004 naar Rome reisden om hun handtekening onder die grondwet te zetten, dachten ze dat dit net zo’n historische gebeurtenis was als de ondertekening van het historische Verdrag van Rome, de basis van de huidige Europese Unie. Drie jaar later zitten ze met een pak papier dat slechts door de parlementen van zestien landen is geratificeerd.

Geen van de regeringsleiders ontkent dat er zo snel mogelijk nieuwe onderhandelingen geopend moeten worden over een nieuwe verdragstekst. Niemand wil dat er na de Europese verkiezingen van 2009 nog een keer een Europese Commissie aantreedt met een eurocommissaris per lidstaat, waarvan de helft weinig tot niets te doen heeft. Niemand wil dat er definitief wordt afgezien van de grotere rol van nationale parlementen of het initiatiefrecht van burgers, zoals dat in de grondwet was voorzien. En op de afschaffing van het vetorecht, dat een Europese Unie met 27 lidstaten bestuurbaar moet maken, willen de meeste landen ook niet terugkomen.

Vandaar dat Merkel in juni het startsein wil geven voor een nieuwe Intergouvernementele Conferentie die over een aangepast verdrag moet gaan onderhandelen. Maar onofficieel tasten de Europese hoofdsteden al lang af wat de mogelijkheden zijn om uit de huidige impasse te komen. Van de twee landen die nee tegen de grondwet hebben gezegd, speelt Frankrijk daarbij een belangrijke rol. Voor Nederland is geen belangstelling.

Dat heeft te maken met het hardnekkige zwijgen van premier Balkenende. De Luxemburgse premier Jean-Claude Juncker, de regeringsleider met de meeste ervaring op Europese toppen, uit zijn ergernis over die houding van Balkenende zelfs openlijk. Dat de Nederlandse premier tot zijn eigen christen-democratische familie behoort maakt hem niets meer uit. Sinds de negatieve uitslag van het Nederlandse referendum is het parool van Balkenende: niets zeggen, dat voorkomt dat je met weerstand tegen Europa om de oren wordt geslagen. Het gevolg daarvan was dat in andere landen van de Europese Unie de interesse voor wat Nederland zou willen al snel verdween. Bij de verkiezingscampagne vorig najaar speelde Europa bovendien geen rol. Toen ex-minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken vorig najaar een paar voorstellen voor verandering van de tekst van de grondwet lanceerde, leidde dat tot geen enkele rimpeling in de Europese vijver.

Bovendien stond wat Bot zei haaks op wat bondskanselier Merkel wil. Zij hecht grote waarde aan meer aandacht voor een sociaal Europa in een nieuw verdrag. Door een bijzonder protocol over Europees sociaal beleid zou de oude tekst van de grondwet alsnog aanvaardbaar kunnen worden voor veel van de Franse kiezers die in 2005 tegen stemden. Daarom wil Merkel ook dat er in de Verklaring van Berlijn komende zondag nadrukkelijk gewezen wordt op het sociale gezicht van de Europese Unie. Een Duits-Frans akkoord is van cruciaal belang voor een nieuw Europees verdrag. Vandaar dat Duitsland al lang met de belangrijkste Franse presidentskandidaten praat en erop rekent na de Franse verkiezingen van 22 april en 6 mei zaken te kunnen doen.

Voormalig minister Bot heeft voorgesteld om het Handvest van Grondrechten voor de Europese burgers niet in een nieuw verdrag op te nemen, omdat dit dubbelop zou zijn met het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens. Maar het Europese Handvest van Grondrechten dat in de grondwet was opgenomen, bevat anders dan het verdrag over mensenrechten ook een pakket sociale rechten, juist datgene waaraan bondskanselier Merkel belang hecht om een nieuw verdrag aanvaardbaar te maken voor de bevolking.

In het regeringsakkoord van de coalitie Balkenende-Bos-Rouvoet staat vrijwel niets over de Europese toekomst. Een nieuw Europees verdrag is een tijdbom voor deze regering. Het cda is tegen een nieuw referendum, de pvda is voor en de ChristenUnie behoort tot de oppositie tegen de Europese grondwet. De drie partijen hebben de vraag of over een nieuw verdrag weer een referendum gehouden moet worden naar de Raad van State doorgeschoven. De Raad van State kan te zijner tijd hoogstens een advies uitbrengen. Bij het vorige referendum was het de Tweede Kamer die hiertoe besloot.

Premier Balkenende probeert zijn handen vrij te houden om straks over een nieuw verdrag te kunnen zeggen: er zat niets anders op dan ermee akkoord te gaan. Een Nederlandse regering kan moeilijk een verdrag afwijzen dat voor alle andere landen van de Europese Unie aanvaardbaar is. Het nadeel van die opstelling is dat Nederland, een van de grondleggers van de Europese Unie die vijftig jaar geleden een belangrijke rol speelde bij de totstandkoming van het Verdrag van Rome, bij de onderhandelingen nu geïsoleerd aan de zijlijn staat.

Staatssecretaris Frans Timmermans (pvda) van Europese Zaken doet wat hij kan om bij de voorbereidende besprekingen een voet tussen de deur te krijgen. Maar hij heeft daarbij, naast de handicap van de Europese tijdbom onder de Nederlandse regering, ook het nadeel dat zijn persoonlijke geloofwaardigheid sinds het Nederlandse referendum van 2005 er niet beter op is geworden. Samen met de cda’er René van der Linden vertegenwoordigde Timmermans het Nederlandse parlement in de Conventie die de Europese grondwet voorbereidde. In 2003 vroeg hij zich geëmotioneerd af wie er had ‘durven dromen dat we met een heuse Grondwet op de proppen zouden komen?’ Hij had met ‘volle overtuiging’ zijn handtekening onder het resultaat van de onderhandelingen in de Conventie gezet en waarschuwde dat als er stenen uit ‘ons zorgvuldig geconstrueerde bouwwerk’ getrokken zouden worden, de steunbalken op ons hoofd zouden kunnen vallen. Ook vond hij dat Europa met de grondwet de ‘meest complete bescherming van burgerrechten in de geschiedenis ging bieden’.

Na het Nederlandse nee tegen het grondwettelijk verdrag veranderde Timmermans van mening. Het gebruik van het woord ‘grondwet’ was een ‘strategische fout’ geweest. Hij vond dat de tekst van het verdrag ‘bol van retoriek’ stond. Er is volgens hem een betere verdeling tussen de Europese en de nationale bevoegdheden nodig dan in de grondwet was overeengekomen. En de symboliek met de Europese vlag en de Europese hymne zouden uit het verdrag moeten, omdat dit een verkeerde uitwerking op de publieke opinie had.

Iedereen in Europa wil het woord ‘grondwet’ langzamerhand graag vergeten. De Europese symbolen blijven bestaan, ook als ze niet in een verdragstekst worden genoemd. Opnieuw onderhandelen na het moeizaam bereikte akkoord over de positie van nationale parlementen en de Europese bevoegdheden dreigt de steunbalken te laten neerstorten waarvoor Timmermans een paar jaar geleden zo bang was.

Niet Nederland maar Groot-Brittannië vervult bij de voorbereiding van de Verklaring van Berlijn de rol van de dwarsligger met wie serieus rekening moet worden gehouden. Daarmee is Groot-Brittannië terug in de traditionele positie. Tony Blair had als doel om zijn land naar het hart van Europa te brengen. Dat lukte bij de Conventie over de Europese grondwet. Anders dan veel tegenstanders van die grondwet denken, speelden de Britten daar een cruciale rol. Zij bepaalden de grenzen van wat mogelijk was.

Dankzij Brits-Frans samenspel is in die grondwet de positie van de Europese Commissie – beschermer van de belangen van kleine landen – verzwakt en die van de Europese regeringsleiders versterkt. Maar Blair heeft mede onder druk van zijn minister van Financiën en waarschijnlijke opvolger Gordon Brown moeten afzien van invoering van de euro. Het Frans-Nederlandse nee tegen de grondwet heeft bovendien de weerstand in zijn land tegen een nieuw Europees verdrag versterkt.

Daarbij heeft Blair de hoop op een werkelijk Europees buitenlands en veiligheidsbeleid met een Europese minister van Buitenlandse Zaken, zoals de grondwet voorzag, tot een illusie gemaakt. Eerst zorgde hij voor verdeeldheid in Europa door met de Verenigde Staten deel te nemen aan de oorlog in Irak. Nu zet hij die lijn door en wil hij los van Europa en zelfs los van de Navo de Verenigde Staten helpen bij de opzet van een schild tegen raketten. Polen en Tsjechië kiezen in die zaak ook al voor Washington, zonder Europa. En Nederland, dat de Verenigde Staten om nog altijd niet opgehelderde redenen bij de oorlog tegen Irak ‘politiek’ steunde, moet volgens Timmermans niet gedwongen worden tot een keuze voor Washington of voor Europa. Dat laatste verwondert in de Europese Unie overigens al lang niemand meer.