William H. Gass, Middle C

Triomf van de oplichter

De Amerikaanse literatuur kent een onderstroom van schrijvers die bij het grote publiek nauwelijks bekend zijn. Op de achtergrond oefenen ze wel degelijk invloed uit op collega’s die in de schijnwerpers staan. Zo wezen Gertrude Stein en Sherwood Anderson Hemingway en Faulkner de literaire weg. En zo heeft William Gaddis uiteenlopende auteurs als Thomas Pynchon, Jonathan Franzen en Rick Moody diepgaand beïnvloed.

Medium middle c

Gaddis’ megaroman en magistraal stemmenspel JR (1975) – over de elfjarige scholier J.R. Vansant die via de telefoon een papieren geldimperium weet op te bouwen – kent een Penguin-editie met een voorwoord van William H. Gass, weer zo’n obscure naam waarachter een invloedrijke en principiële schrijver schuilgaat. Gass (1924, Fargo, North Dakota) doceerde filosofie aan Washington University in St. Louis, heeft veel essayistiek bedreven (over onder anderen Emerson, Stein, Flaubert en Rilke) en publiceerde drie romans die stuk voor stuk extreem antipathieke hoofdpersonages kennen: Omensetter’s Luck (1966), The Tunnel (1995) en Middle C (2013). Zijn essays – titels als The World Within the Word (1978), Habitations of the Word (1985) en Finding a Form (1996) suggereren het al – gaan steevast over taal, de ongekende ruimte van een zin, de vorm van een verhaal of de onzin van een plot. De doorsneelezer is gefixeerd op ‘plot’: waar gaat het over, hoe loopt het af? Gass vindt ‘plot’ een lelijk woord dat hem aan een ‘tweederangs samenzwering’ doet denken (Finding a Form). Provocerend geformuleerd: ‘Er is vogelpoep, paardenpoep en romanplot.’ Schrijvers raken vaak in verlegenheid als een goedbedoelende lezer vraagt waar zijn roman over gaat: het verhaaltje. Voor Gass is het scheppen van een plot een vorm van oplichterij, want het leven kent ook geen plot. Gass: ‘Geschiedenis schrijven gebeurt vaak in de vorm van een verhaal zodat die een doel lijkt te hebben, ergens naar op weg is, omdat verhalen ontkennen dat het leven niets anders is dan eindeloos middelmatig gemodder…’

Gass’ recente roman Middle C gaat niet toevallig over een zeer middelmatig figuur in de marge van de muziekwereld, een scharrelaar die de boel belazert en bang is dat hij wordt ontmaskerd. Gass creëert niet alleen in die roman een confidence man, iemand die door middel van leugens het vertrouwen van zijn omgeving wint, om daarna dat vertrouwen te beschamen. Die con man (naar de beroemde roman The Confidence Man van Melville) is een systematische oplichter wiens eigen identiteit een zwendelpraktijk is.

Omensetter’s Luck is Gass’ eerste leugenachtige gebouw van woorden waarin een con man rondwaart en de zuivere taal pootje licht: predikant Jethro Furber gaat als een duivel te keer tegen Omensetter, een nieuwkomer in het provinciale Gilean, Ohio, van eind negentiende eeuw. Furber geeft hem de schuld van wat er fout gaat in het dorpje en zet de gemeenschap op tegen Omensetter, een ondernemende en goudeerlijke man die het altijd mee lijkt te zitten. Furbers preken zijn bastions van ongefundeerde beledigingen en insinuaties, maar zo indrukwekkend geformuleerd dat niemand er níet door geraakt wordt. Omensetter’s Luck is een onbekend Amerikaans meesterwerk.

Nog verontrustender is de daderroman The Tunnel. De woordenwereld van geschiedenisprofessor Kohler is een maskerade. Zijn Nuremberg Notes was al een academische studie van twijfelachtig allooi, want een sympathiek portret van de verdedigers van de nazikopstukken. Maar zijn Guilt and Innocence in Hitler’s Germany gaat veel verder. Er ontbreekt nog een voorwoord aan, dat in The Tunnel uitdijt tot een stream of consciousness waarin de professor met een dubieuze reputatie niet alleen poogt ‘de gevangenis die mijn leven is in taal om te zetten’. Deze verduitste en antisemitische Amerikaan wil ook een ondergrondse tegengeschiedenis schrijven, een geheim _Mein Kampf-_dagboek waarin hij zijn eigen slechtheid – Hitler viel wel mee – celebreert. Hij wordt zelf moordenaar, van de huiskat, die hij in een ladenkast van zijn vrouw begraaft. Hij graaft zich ook letterlijk een weg naar buiten (de modder stopt hij in kastladen), tot zijn vrouw hem met zijn eigen modder confronteert: ‘Ik wil jouw troep niet in mijn ladenkasten, net zo min als jouw ideeën in mijn hoofd.’

Het isolement van de con man in Middle C heeft alles te maken met zijn vloeibare identiteit en met zijn vader, die schittert door afwezigheid. Joseph Skizzen, zogenaamd professor in de moderne muziekgeschiedenis aan een provinciale universiteit, is in de voetsporen van zijn verdwenen vader getreden. Maar wie was die vader? Een Oostenrijker uit Graz, genaamd Rudi Skizzen, die zich in de jaren dertig – vlak vóór de Anschluß – tot de jood Yankel Fixel transformeerde en via Wenen naar Engeland emigreerde, waar Joey-Yussel (Joseph) tijdens de Blitzkrieg werd geboren. Als ‘Engelsman’ liet hij zich Raymond Scofield noemen. Hij vertrok met de noorderzon én valse papieren nadat hij bij het paardenrennen goed gegokt had. Zijn vrouw en zoon kwamen ten slotte in Ohio terecht. Familie? In de allitererende stijl van Gass: ‘Families are founts of ignorance, the source of feuds, fuel for fanatical ideas.’

Middle C gaat niet over de zoektocht van de zoon naar de vader. Joseph Skizzen zoekt helemaal niet, hij doet na, hij kopieert het gedrag van zijn vader door zich aan zijn omgeving aan te passen als een kameleon. Hij is niemand, hij is iedereen, hij is een schetsmatig iemand, zoals zijn achternaam al aangeeft. Hij speelt dan wel piano, maar op de honky-tonk-manier. Hij blinkt nergens in uit: hij heeft een nederig baantje in een muziekwinkel, High Note, en in een bibliotheek. Hij vervalst een rijbewijs om een ‘identiteit’ te hebben. Hij leest te hooi en te gras boeken over moderne muziek, atonaliteit en twaalftoonstelsel, maar zijn kennis heeft weinig met muziek te maken (de biografie van Schönberg vindt Skizzen interessanter dan diens muzikale ideeën, waar hij niets van begrijpt). Als er een professoraat in de geschiedenis van de moderne muziek vrijkomt, poetst hij zijn cv op en blaast zichzelf tijdens het succesvolle sollicitatiegesprek op tot iemand die hij niet is: hij belazert Academia. De universiteit in Ohio trapt erin. En nee, nooit wordt hij ontmaskerd, al speelt Gass wel met het plotje dat lijkt af te stevenen op een demasqué.

Joseph Skizzen, die nog immer bij zijn moeder woont, is niet alleen ‘professor’, hij heeft ook een papieren museum op de vliering (knipsels over moord en doodslag door de eeuwen heen: zijn Inhumanity Museum) en hij is fanatiek bezig één zin telkens weer te herformuleren: ‘The fear that the human race might not survive has been replaced by the fear that it will endure.’ Dankzij het taalspel van Gass – de zin is een wereld die je steeds anders kunt inrichten – groeit deze zin uit tot een anderhalve pagina doordenderende volzin over wat mensen elkaar zoal kunnen aandoen.

Een hoogtepunt in Middle C is de tekst van een van de moedeloos makend middelmatige en onmuzikale colleges die Skizzen geeft. Die vormen gênante vertoningen van flutweetjes, vernederende opmerkingen over zijn studenten en antimuzikale stupiditeiten. Hij citeert bijvoorbeeld, uit het verband gerukt, Béla Bartóks fameuze opmerking dat de studie van de volksmuziek in Hongarije en Roemenië hem ‘bevrijdde van de tirannieke voorschriften van de majeur- en mineurtonen’. Waarmee we op de tweede, muzikale betekenis van de titel komen: ‘middle c’ is de ééngestreepte c, discant, tegenzang, bovenstem. En het moet gezegd: in Middle C heeft William Gass weer een doortrapte en verontrustende tegenstem gecreëerd, die van een mediocre oplichter die ver komt in de wereld en die serieus wordt genomen in een academische wereld.

De oplichters zitten overal: in de kerk (Omensetter’s Luck), op de universiteit (The Tunnel), in de muziek. Het is de taal die maskeert en onthult in Gass’ romans. Zijn muzikale taalvuurwerk betovert maar wil tegelijkertijd waarschuwing zijn: lees maar, er staat niet wat er staat. Gass moet het niet hebben van argeloze lezers of zoetekoekslikkers. Echte literatuur lacht om ‘plot’ maar zweert bij taalkundige waakzaamheid.


William H. Gass. Middle C. Knopf, 395 blz., € 28,99.