FILM Blackwater Fever

TRIP NAAR DE HEL, TRIP NAAR DE HEMEL

In Blackwater Fever van de Nederlandse cineast Cyrus Frisch (1967) reizen twee westerse personages, gespeeld door Roeland Fernhout en Ellen ten Damme, eindeloos per auto door een verlaten woestijnlandschap. Eerst zoeven ze over het zwarte asfalt van Nevada, dan worden ze als in een wonder getransporteerd naar de verlaten duinen van een land ergens in Afrika. Deze wending is tekenend voor de toon van de film. Conceptueel opgezette shots van lange wegen, van de auto die eindeloos door het landschap scheurt, raken de thematische kern: zoals het lichaam van Fernhout geïnfecteerd wordt door de malariamug, waardoor hij de zwartwaterkoorts krijgt, zo is het landschap besmet door de mens in zijn snelle, westerse auto. De ‘ziektes’ die de mens als parasiet meebrengt, zijn geestelijke leegte, armoede, oorlog, verkrachting, hongersnood en kindersterfte in de Derde Wereld. Er is evenwel een oplossing: beter kijken.
Door de dik opgelegde, moraliserende boodschap is Blackwater Fever een kwetsbare film. Afrikaanse slachtoffers zijn zielig, westerse kapitalisten zijn slecht doordat zij, wij, onverschillig staan tegenover de problemen van anderen. Daar gaat het om. Jan Pronk, voormalig speciaal gezant van de Verenigde Naties in Soedan, zal de film tijdens de première introduceren. Regisseur Frisch stelt in een persbericht dat Pronk ‘als geen ander kan reflecteren op mogelijke oplossingen voor de problematiek in Soedan’. En de humanitaire ramp in Darfur was juist voor hem de motivering voor het maken van de film.
Maar Blackwater Fever is géén politiek pamflet. Het is een doordachte, dichterlijke analyse van het psychologische effect van geweld en ontmenselijking door oorlog en armoede. De vervreemding die Fernhouts personage in het harde landschap voelt – lichamelijk voelt, want hij raakt besmet – symboliseert de perversiteit van rijkdom en welvaart in een tijd waarin miljoenen mensen over de hele wereld op drift zijn geraakt door oorlog, een tijd waarin kinderen wegens honger en simpele ziekten als buikloop sterven. Maar daar blijft Frisch’ visie niet bij. Hij brengt een cruciale relativering aan door een scène waarin Ten Damme ten prooi valt aan plaatselijke milities. Niet alleen de rijke witten zijn slecht; Frisch focust op de moderne mens in al zijn gedaanten. Dat maakt zijn film tot een gelaagde, apocalyptische visie op de menselijke geest.
Blackwater Fever ontwikkelt zich zo tot een mythische, filosofische rampenfilm die de kijker dwingt net als Fernhouts personage zijn bril af te doen (onze vooropgezette ideeën over de relatie tussen het Westen en de Derde Wereld terzijde te schuiven) en eindelijk eens goed te kijken, eindelijk het slachtoffer niet als wezen aan de andere kant van de wereld te beschouwen, maar als mens, als kind. Slechts zo valt de parasiet te bestrijden, slechts zo kunnen we gered worden uit de klauwen van onszelf. Van ons cynisme, onze nuchterheid.
Blackwater Fever is een film die je raakt, die het beste valt te bekijken alsof je een gedicht leest, door je te laten meevoeren door de allegorische narratieve lijnen, door de mooie visuele metaforen, af en toe gedraaid op exotische, verzadigde super 8mm-film. En de uitstekend acterende Fernhout en Ten Damme, die zelden in hun carrière in een betere film moeten hebben gezeten. Want voor wie goed kijkt biedt dit werk toch een geweldige trip. Een trip naar de hel, een trip naar de hemel. En er is verlossing aan het einde. Wat Blackwater Fever nog meer tot een wonder maakt.

Vanaf 12 juni, het Ketelhuis, Amsterdam. Op 21 juni om 21.00 uur verzorgt Jan Pronk een inleiding. Tevens te zien in het Louis Hartlooper Complex te Utrecht