Trojaanse toon (4)

Trojaanse vrouwen is tot en met 1 maart te zien.
Ik ken geen Grieks, laat staan oud-Grieks. Mede daarom lees ik altijd gefascineerd de inleidingen die vertalers bij hun ‘herschikking’ van Griekse tragedies schrijven. Volgens mij is Herman Altena, die de vertaling van Euripides’ Trojaanse vrouwen (Zuidelijk Toneel, regie Johan Simons) maakte, een gedroomde vertaler. Hij denkt tijdens zijn Sisyfus-arbeid aan het werk en in ieder geval aan de stem van de acteur. Hij schrijft in zijn inleiding dat het spreken en zingen van de teksten ‘zo organisch mogelijk zou moeten gebeuren, dat wil zeggen, zo veel mogelijk met behoud van de natuurlijke klemtoon.’

Aan Simons als regisseur heeft Altena een goeie. Volgens mij is deze theatermaker vooral werkzaam in de driehoek organisch-natuurlijk-klemtoon. Dat klinkt als mechanica, maar dat is het niet. ‘Organisch’ heeft te maken met de ademhaling van de acteur. 'Natuurlijk’ met de manier waarop de teksten bij ons naar binnen komen. En 'klemtoon’ is acteurstechniek: waarom druk je op welk woord?
Opnieuw een scène uit Trojaanse vrouwen. Het drama loopt op zijn eind. Menelaos komt op, de bedrogen echtgenoot die de Trojaanse oorlog startte. Helena komt op, de bedriegster, de naar Troje ontvoerde echtgenote van Menelaos, om wie de oorlog aanvankelijk begon. De koningin van Troje, Hekabe, staat tussen hen in. Helena wordt meegevoerd naar Griekenland om daar te worden gedood. Als een snotterend kindvrouwtje in een kanariegele deux-pièce spreekt de Helena van Camilla Siegertsz haar verdediging uit: de hele ontvoering was door de goden voorbeschikt. Ze loopt tijdens die verdediging vanuit één punt rechts voor met een wankele tred (alsof ze vandaag voor het eerst naaldhakken draagt) naar de links op de speelvloer ijsberende Menelaos (Peter Paul Muller). Zijn toon is die van een razende, bedrogen puber die zich groot probeert te houden. Zijn dictie lijkt nuchter - de teksten komen hard aan: 'Ik ben niet gekomen voor een debat maar om je te doden.’
Het bewegingspatroon is opgebouwd uit simpele elementen. Op het ritme van de tekst banjert Menelaos als een gekooid beest van voor naar achter. Tegen het ritme van de tekst in strompelt Helena van links naar rechts en weer terug. Twee verliezers op weg naar hun ondergang. Hun woorden doen er niet meer toe?
Vooraan staat Hekabe. Dit is haar finest hour, overigens haar enige in het stuk. Ze buit het moment uit. Punt voor punt scheurt ze de verdediging van Helena aan flarden. Frieda Pittoors demonstreert hier hoe je binnen een monoloog dynamiek kunt aanbrengen. Ze zet met een ironische ondertoon vraagtekens bij het pleidooi van Helena, plaatst daar nuchter en messcherp haar eigen antwoorden tegenover. Tegen het eind schakelt ze over op een ongekende woedeaanval. En alles op het meedogenloze ritme van de tekst.
In een recensie is die dictie 'gekunsteld’ genoemd. Ik vind die observatie niet terecht. Er wordt hier niets geforceerd, de tekst bereikt ons in alle helderheid, het betoog is zin voor zin te volgen, en de klemtonen worden perfect gelegd, de bochten in de tekst scherp genomen, om ons bij de les te houden. Van 'nadrukkelijk knauwen’ (wat ik ook ergens las) heb ik niks gemerkt.
Er is hier nog niet gesproken over de koorzangen (door Astrid Seriese) en de muziek (Peter Meuris). Volgens mij verrichten die twee wonderen, maar ik ben onmachtig die wonderen te beschrijven. Het is al lastig genoeg om accuraat te verwoorden wat de acteurs in deze voorstelling doen. Misschien moeten sommige kranten naar een volgende voorstelling van Johan Simons (en zijn vaste artistieke partner, Paul Koek) een toneel- èn een muziektheaterverslaggever sturen. Hun werk is langzamerhand te rijk geworden voor één paar ogen & oren van één specialist.
Die rijkdom was ook de reden waarom ik vier weken lang over deze voorstelling heb geschreven. Soms komt er een theaterwerk op je pad dat zo afgeladen vol is dat ik me ervoor schaam het in een paar honderd woorden 'af te doen’. Wellicht een irrationeel argument, maar mag de irrationaliteit het af en toe even winnen van de journalistieke nuchterheid?