Trojka hier, trojka daar

Het heeft me twee weken rekenen gekost, maar ik ben eruit: alles bij elkaar moet ik nog negenduizendzeshonderdzesentwintig boeken lezen. Als ik nooit meer uitslaap, niet meer dan één maaltijd per dag gebruik, gespaard blijf voor enge ziekten, wc-bezoek tot het uiterste beperk en voorgoed afzie van seks, red ik dat misschien net. Ik zal honderdvijf moeten worden. Deze column zal eraan moeten geloven.

Enkele weken geleden, toen ik me realiseerde hoeveel boeken ik niet ongelezen mag laten, ben ik begonnen met het opstellen van een canon. Naarmate de lijst groeide werd ik wanhopiger. Kostbare uren, dagen ben ik kwijtgeraakt met het vinden van de titels, maar het kon niet anders. Ik had anders niet geweten waar te beginnen.
Ik hoop de verloren tijd terug te winnen door voorlopig geen rustdagen te nemen. Als mijn lichaam me in de steek laat, zal ik handelen zoals de Japanse geleerde Arai Hakuseki, op negenjarige leeftijd: “s Avonds laat, als ik niet meer tegen mijn moeheid op kan, plaats ik twee emmers water achter me. Als mijn slaperigheid te groot wordt, trek ik mijn kleren uit en giet de eerste emmer over me heen. Naakt ga ik verder waar ik gebleven ben. Mijn geest blijft helder tot ik het weer warm krijg en opnieuw slaperig word. Dan gebruik ik de andere emmer.’
Het verzamelen der boeken zal me zo'n vijf jaar kosten. Ik weet nog niet waar ik het geld vandaan ga halen. Met wat ik nu bezit kan ik hoogstens een paar honderd boeken aanschaffen, maar dat is van later zorg. Waarschijnlijk zal ik een deel moeten stelen.
Het selecteren heeft me veel verdriet gedaan. Ik ben begonnen met de boeken die ik in hun oorspronkelijke taal kan lezen, zodat ik niet afhankelijk ben van vertalingen; de Nederlandse, Duitse, Engelse en Amerikaanse literatuur had ik vrij snel op een rij. Elk boek dat ik aan de lijst kon toevoegen, deed mijn hart sneller kloppen, bij elk boek dat afviel was het of ik ergens een haan hoorde kraaien.
Het moest gebeuren, ik ben niet onsterfelijk, ik heb maar weinig tijd, maar iedereen die ik bedroefd terzijde legde, achtervolgde me in mijn slaap. Aan het einde van de eerste week werd ik elke nacht nagejaagd door een horde schrijvers, die woedend met hun werken zwaaiden. De dagen daarna kwamen er steeds meer Portugezen, Spanjaarden en Zuid-Amerikanen bij. Sommigen torsten hun hele oeuvre met zich mee. Buiten adem reciteerden ze hun beroemdste zinnen. Hun erotische canto’s gingen me door merg en been.
De Russen waren nog erger. Toen ik eenmaal besloten had wie ik wél zou opnemen en wie niet, deed ik haast geen oog meer dicht. Als ik mij toch neerlegde, overmand door vermoeidheid, schrok ik midden in de nacht wakker uit dromen waarin ik werd belaagd door eindeloze rijen baboesjka’s met verwijtende ogen.
De dag dat ik besloten had dat ik niet kon wachten op de Nederlandse vertaling van Boelgakov en Platonov was de ergste tot nu toe. Ik joeg over een besneeuwde toendra in een gemotoriseerde trojka vol boeken, achtervolgd door huilende wolven. Toen ze naderbij kwamen zag ik dat ze allemaal de koppen van Boelgakov en Platonov hadden. Vertwijfeld deed ik een greep in de boeken om mij heen, misschien kon ik ze daarmee afleiden. Daar ging De ontdekking van de hemel, daar tuimelden Anna Enquist en Margriet de Moor in de sneeuw, daar vloog de complete J.J. Voskuil tussen de jankende beesten. Ze keken niet op of om. Ik kon hun stinkende adem al ruiken.