Surrealistisch Charlottesville

Trolling en terrorisme

Een ritualistische fakkeltocht, ‘verboden samenscholing’ en origami-zwanen. In Charlottesville kwam ‘het kwaad open en bloot aan het licht’. Een verslag van een surrealistisch weekend.

Medium hh 69296578 copy
Charlottesville, 12 augustus © Mark Peterson / Redux / HH

Om acht uur ’s ochtends is er al ongekend veel politie op straat en er komen nog altijd busjes met extra manschappen aan. De politie heeft Emancipation Park, voorheen Robert E. Lee Park, al een dag van tevoren afgezet met hekken. Een man roept uit een auto naar een paar agenten: ‘Bedankt voor alles wat jullie vandaag doen.’ We zien een vrouw lopen, met een bloem in haar haren en een T-shirt met de tekst ‘peace’. Ze is met de auto uit Ashland, Virginia gekomen, nadat ze op Facebook beelden heeft gezien van de grimmige fakkeltocht van de vorige avond: al die mensen in kaki broek met wit poloshirt, met een tuinfakkel in de hand, die in een monotoon, krijgshaftig ritme scanderen: ‘You! Will Not! RePLACE us!’ en ‘Blood and Soil’.

Het hoofdkwartier van de tegendemonstranten, twee blokken van Emancipation Park vandaan, in McGuffey Park, is versierd met grote origami-zwanen, gevouwen van bruin papier. Op een tafel liggen ‘gratis snacks voor solidariteit’, naast een afbeelding van een gebalde vuist met een vork. Het Stonewall Jackson Park, omgedoopt tot Justice Park, fungeert ook als een pleisterplaats van de tegendemonstranten – twee blokken van Emancipation Park vandaan, maar dan de andere kant op. Daar zie ik meer rode shirts, en een van de organisatoren staat met de politie te praten. Op een plastic tafel liggen keurige stapels hand-outs. ‘Checklist om racisme aan de kaak te stellen’, en ‘Hoe bied ik veilig en effectief weerstand aan extreem-rechts.’

Ik ben eigenlijk alleen in Charlottesville om een vriend op te zoeken. Ik woon in Amsterdam, waar ik amerikanistiek doceer aan de Universiteit van Amsterdam, en ik kom al enkele jaren een paar keer per jaar in Charlottesville. Mijn vriend is schrijver, en we hebben een vast patroon. We staan vroeg op, ontbijten altijd hetzelfde, gaan naar hetzelfde café om te werken en te schrijven, gaan op dezelfde plek bij hetzelfde raam zitten en kijken uit op dezelfde kruising. Dan lopen we naar dezelfde plek om te lunchen en bestellen altijd hetzelfde. Zo ken ik, als witte Amerikaanse ‘expat’, deze stad. Maar deze keer is alles anders.

Rond half negen ’s ochtends hebben een stuk of twintig witte mannen zich verzameld bij Emancipation Park, in volledige gevechtsuitrusting – legerpetten, wrap-around zonnebrillen, aanvalsgeweren, Amerikaanse vlaggen en soms ook Confederatie-vlaggen. Dit zijn de ‘milities’, die zich voordoen als ordebewaarders. Niet veel verderop staat een man in een Hitler-T-shirt een sigaret te roken en hij krijgt het aan de stok met een vrouw met een koeienbel en een soort herdersstaf, besprenkeld met goudpoeder. Ik weet niet wie is begonnen, maar zij klingelt met haar koeienbel en zegt: ‘Ik wil niet met je praten.’ Hij loopt weg, terwijl hij ‘linkse idioot’ mompelt.

Het centrum van Charlottesville telt vele kerken en een synagoge, en ik zie dan ook de hele dag geestelijken op straat. De tegendemonstratie is een Amerikaanse mengeling van oecumene en radicalisme. Mannen met een keppeltje lopen naar de Methodistenkerk, waar vlakbij een gebedskring is ontstaan van onduidelijke gezindte. Een vrouw heeft met afplaktape een davidster geknutseld die ze op haar T-shirt plakt. De hele dag zijn overal priesterboordjes te zien.

Troepen witte nationalisten trekken op naar het park, waarbij sommigen vanachter witte schilden ‘Blood and Soil’ scanderen. De symbolen variëren van bekend tot duister. De geestelijke tegendemonstranten lopen in een plechtige stoet door Market Street en blijven staan voor Emancipation Park, de armen in elkaar gehaakt. Het is even na negenen. Ze zingen This Little Light of Mine en spreken vervolgens één voor één een kort gebed uit. Bij het vijfde of zesde gebed gaat het fout. Een trol met een microfoon verstoort de gebeden, zegt dat zo te zien alle lesbische geestelijken van Amerika hierheen zijn gekomen. Dan schreeuwt hij iets over Martin Luther King en zijn bestseller Over de joden en hun leugens. Maar dat was Maarten Luther.

De menigte valt de geestelijken bij en er wordt een aantal keer This Little Light of Mine gezongen. Ook wordt er gescandeerd: ‘Wij hebben al gewonnen.’

De staafjes in het netvlies van het mensenoog nemen bewegingen waar in ons perifere blikveld; de kegeltjes stellen ons in staat scherp te stellen. Tussen het scanderen en zingen door staat iedereen enigszins gespannen te praten. Volgens plan zal de demonstratie tenslotte pas over een paar uur beginnen. Mocht er dan een vechtpartij uitbreken, dan dringt het beeld als eerste je perifere blikveld binnen, of je hoort de geluiden van een handgemeen, die in concentrische cirkels door de menigte trekken: het stokken van de adem, de woede, de adrenaline.

Die ochtend zijn er diverse confrontaties. We zijn een paar blokken verwijderd van Emancipation Park op het moment dat het echt uit de hand loopt, een paar blokken verwijderd van de wapenstokken, de pepperspray, de stenen en de knuppels, de urine, het traangas. Om 11.22 uur spreekt de politie van een verboden samenscholing, terwijl de demonstratie officieel nog moet beginnen. We zien witte nationalisten door de straten marcheren, weg van het centrum, terwijl ze toevallige omstanders uitschelden. Het is een angstaanjagend beeld. Om 11.52 uur kondigt de gouverneur de noodtoestand af.

Bij 2nd Street en Market worden de witte nationalisten uitgejouwd door de menigte. Het ziet ernaar uit dat ze op weg zijn naar McIntire Park. ‘Fuck off nazi scum’ staat er op een bord. Overal lopen witte nationalisten die zijn losgeraakt van de groep; een van hen heeft een Klan-schild in zijn ene hand en een Monster Energy Drink in de andere. De menigte roept: ‘Virginia is geen staat van haat, maar van liefde.’ Er wordt gejuicht wanneer de geestelijken de kruising bereiken. Even vlamt de angst op wanneer er een paarse rookbom afgaat, maar het is een rookbom, meer niet.

Een man met heel lang haar en een paars, geknoopverfd shirt vraagt een van de gehelmde agenten die een rij vormen, op zangerige, wat sukkelige toon: ‘Neem me niet kwalijk, agent, maar kunt u me zeggen waar de dichtstbijzijnde afvalbak is?’ De knoopverfman wil een verfrommeld plastic waterflesje recyclen. De agent weet niet waar de afvalbakken zijn. Ze komen waarschijnlijk geen van beiden uit Charlottesville, hebben geen idee waar hier in de buurt de plasticbakken staan. Bovendien slingeren vrijwel overal waterflesjes rond.

We lopen wat rond, zien overal in het centrum groepjes mensen. Op een straat tussen twee parkeerterreinen in, een paar blokken van het voetgangersgebied, heeft zo’n dertig tot veertig man oproerpolitie een groep van vijftien tot twintig tot de tanden bewapende witte nationalisten en witte milities omsingeld. Een van hen heeft een gele don’t tread on me-vlag bij zich. Het is rond 12.30 uur. Ze zijn op weg naar hun auto, die daar ergens moet staan.

Een trol met een microfoon zegt dat zo te zien alle lesbische geestelijken van Amerika hier zijn gekomen

In het midden van dit groepje mensen, op de stoep, zit een roodharige vrouw met een lichte hoofdwond. Ze hoort niet bij de witte nationalisten, voorzover ik kan zien; ze heeft een gelamineerd pasje om haar nek en zou een journaliste kunnen zijn. Er zitten een paar mensen gehurkt om haar heen. Er zijn veel meer tegendemonstranten dan witte nationalisten, maar die laatsten hebben aanvalsgeweren. Na een poosje wordt de vrouw in een ambulance geholpen.

Terwijl de witte nationalisten naar hun auto’s lopen, schreeuwen de omstanders: ‘Nazi’s Go Home.’ Er staat een donkergrijze pickup zonder nummerbord, maar wel met een invalidensticker op het spiegeltje. Een paar militie-achtige mannen, in volledige gevechtsuitrusting, klautert in de achterbak en wacht. Niet veel later zien we een grote man aan komen lopen, met links een kunstbeen. Zijn haar is geverfd in felle strepen rood, wit en blauw. Zelfs zijn baard is geverfd. Iedereen wacht omdat iemand in de karavaan een lege accu heeft en starthulp moet hebben. Het is een Chevy met een Confederatie-vlag in plaats van een nummerbord, en de bestuurder draagt een T-shirt met een Confederatie-vlag en de tekst ‘peace keepers’. Aan zijn riem hangt een holster met een pistool erin. Een behulpzame, niet-nazi Volvo sluit startkabels aan.

Bij het verlaten van het parkeerterrein schampt een van de wagens een tegendemonstrant, een jonge, witte man, en de omstanders houden de adem in. Een paar mensen trappen tegen de auto en rennen erachteraan, terwijl ze ‘oprotten’ roepen.

Aan de andere kant van het parkeerterrein zien we honderden tegendemonstranten door Water Road lopen. We zien rode vlaggen, banners van Black Lives Matter, een paar geestelijken. De stemming is triomfantelijk wanneer deze groep samenkomt met een groep demonstranten uit 2nd Street. ‘Whose Streets? Our Streets!’ Zo ver wij kunnen zien is er geen politie om de groep te begeleiden of te beschermen. We lopen een blok met de menigte mee.

Ergens voor ons klinkt geschreeuw, en al snel maakt de menigte in paniek rechtsomkeert. Wij lopen ergens achteraan, en de mensen komen onze kant op rennen. Misschien zijn de demonstranten voor ons slaags geraakt met de witte nationalisten; daar lopen overal groepjes van rond. Of misschien heeft de politie geprobeerd een eind te maken aan de ‘verboden samenscholing’ (een rekbaar begrip), zoals dat de afgelopen maanden vaker is gebeurd met tegendemonstraties, met behulp van traangas of fysiek geweld.

Er komen mensen voorbij, huilend of in shock. ‘Ambulance! Ambulance!’ wordt er geroepen. De hele dag lopen overal ehbo’ers rond, we zien kruizen van rood tape op auto’s en mouwen en rugzakken. We zien nog meer geestelijken die zich naar de plek spoeden.

Al snel verspreidde zich het bericht dat er een auto op mensen was ingereden. We hoorden dat een donkergrijze Dodge Charger met getinte ramen in volle vaart op de menigte had ingestuurd, een zilvergrijze Sedan ramde en vervolgens keihard achteruit reed, door het voetgangersgebied. Maar op het moment zelf was dat nog niet duidelijk. Ik zocht op Twitter naar #Charlottesville, filterde op ‘nieuwste’. De gedeukte kofferbak was het eerste beeld dat verscheen in de snel aanwassende stroom berichten. Op de nummerplaat stond: gdkpme, God keep me. God bewaar me.

Voor een volledig overzicht van de gebeurtenissen is haast een militair historicus nodig, om alle bewegingen en de onderlinge communicatie van de verschillende partijen in beeld te brengen. Zoals die kaartjes van veldslagen in de geschiedenisboeken op de middelbare school: allemaal pijltjes en stippen en symbooltjes van explosies. Door de alom aanwezige mobieltjes met camera, en Twitter, zou die geschiedkundige over een gedetailleerd en doorlopend beeld beschikken – en zelfs inzicht kunnen krijgen in de strategische onduidelijkheden die deel uitmaken van dat beeld. Waren de nazi’s bij McIntire Park? Met de bedoeling zich te hergroeperen en terug te gaan? Een van de groepen tegendemonstranten ging alleen maar door 2nd Street omdat er allerlei activiteiten plaatsvonden in een nabijgelegen appartementencomplex, Friendship Court geheten.

Ik weet niet precies wat die strategische chronologie aan het licht zou brengen over het optreden van de politie: het lijkt erop dat de politie is geïnstrueerd om de-escalerend op te treden, wat haast lijkt neer te komen op passief toekijken. Het zou in ieder geval duidelijk maken hoe krachtig de tegenbeweging is. Het zou ook de beweringen onderschrijven van enkele van de geestelijken onder de tegendemonstranten, die zeggen dat de veelvuldig verguisde Antifa-mensen hun redding zijn geweest. De witte nationalisten zullen uiteindelijk jammeren dat de politie hen geen bescherming heeft geboden, dat ze toestemming hadden om te demonstreren en dat hun vrijheid van meningsuiting is beknot. Maar ze verzamelen zich veel eerder dan afgesproken in het park, gewapend en wel, op een moment dat de toestemming nog niet van kracht is.

Het is niet zo gek dat al die nazi-groepen al vroeg komen opdagen. Hun verlangen om terreur uit te oefenen doet niet onder voor hun ijdelheid: natuurlijk willen ze pronken met hun kkk-kostuums, hun Confederatie-uitdossing. Richard Spencer draagt Uggs. Ze tooien zich met heldhaftig militair vertoon en hullen zich in romantische heroïek. De absurde zelfoverschatting roept de dwaze eigendunk in herinnering van de deftige slavenhouders uit het Zuiden die ervan uitgingen dat één soldaat van de Geconfedereerden zeven Yankees kon verslaan, en die tot ver in de Amerikaanse Burgeroorlog aan die opvatting vasthielden, zelfs toen de nederlaag onafwendbaar was.

Dat maakt het des te wranger dat alt-right reltrappers op websites als Daily Stormer vooral tips krijgen hoe ze zich moeten terugtrekken: ‘Als de boel uit de hand dreigt te lopen, maak je dan snel uit de voeten.’ Wat een helden!

Denk je eens in wat we zouden zeggen wanneer die auto niet op de menigte was ingereden – als de demonstranten uiteindelijk uiteen waren gegaan zonder dat er iemand was vermoord, en de nazi’s terug waren gekeerd naar hun gehuurde U-Haul pickups, hadden uitgecheckt in hun hotels. Dan zouden we hebben gezegd dat een heldhaftige gelegenheidsalliantie van Black Lives Matter-activisten, geestelijken, antifascisten, anarchisten en communisten de nazi’s had verdreven. Misschien zouden we zeggen dat de politie, die weliswaar weinig had gedaan om de tegendemonstranten in bescherming te nemen, ze tenminste ook niet in elkaar had geslagen. Tegenwoordig zijn we al met weinig tevreden.

Het zou een overwinning zijn, maar tegelijkertijd zou er weinig door veranderen. De Unite the Right-demonstratie zou het zoveelste voorbeeld zijn van kwaadaardige krankzinnigheid, een zoveelste symptoom van een ramp op grotere schaal. Het zou niet meer zijn geweest dan een hoop spektakel – niet omdat white supremacy slechts een spektakelstuk is, maar omdat white supremacy geen circus nodig heeft om zijn gekrenkte, jammerende, polo-dragende kunstje te tonen. Het is al onderdeel van het systeem.

In 1619 arriveerden er ‘een stuk of twintig negers’ in Jamestown, Virginia, met een Nederlands slavenschip

Ik bevind me geen moment in het heetst van de strijd. Alles wat ik zie is afgeleid van het ware drama, en ik loop geen moment echt gevaar. Het enige waar ik echt verslag van kan doen zijn de stiltes, de parkeerterreinen, de lege accu’s. Heel even voelt het alsof er niet veel bijzonders aan de hand is. Maar dat bewapende nazi’s op een parkeerterrein iets alledaags hebben, is niet geruststellend. Het maakt alles alleen maar erger.

Op maandag, twee dagen na de aanslag, organiseert het Jefferson School African American Heritage Center een bijeenkomst voor de buurt, om te praten over wat er is gebeurd en om te bedenken hoe het nu verder moet. De zaal is afgeladen. Lisa Woolfork, een Black Lives Matter-activiste die is verbonden aan de University of Virginia, richt zich op het verband tussen symbolen en daden, symbolisch geweld en fysiek geweld. Er wordt al tijden elke maand een demonstratie van witte nationalisten gehouden, merkt ze op, en de Confederatie-standbeelden worden aangegrepen als excuus. Dus: haal die standbeelden weg. De zaal barst in gejuich uit. Voorstanders van die standbeelden beroepen zich niet alleen op het ‘cultureel erfgoed’, maar voeren ook vaak aan dat het te kostbaar is om die standbeelden weg te halen. Het erfgoedargument valt makkelijk te weerleggen: de standbeelden in Charlottesville dateren uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Wat de kosten betreft, dat argument haalt Woolfork ook zo onderuit: ‘We hebben al betaald.’

Dit weekend lijkt het alsof er een invasie heeft plaatsgevonden, hoewel Jason Kessler, die de Unite the Right-demonstratie heeft georganiseerd, zelf uit Charlottesville komt, en Richard Spencer heeft gestudeerd aan University of Virginia. Voorafgaand aan de demonstratie schatte men dat er zo’n paar duizend witte nationalisten van buiten de stad naar Charlottesville zouden komen, om ergens in een van de buitenwijken hun tuinfakkels te kopen. Uiteindelijk blijken het er maar een paar honderd te zijn.

Maar het is niet verwonderlijk dat deze demonstratie plaatsvindt in Virginia, en het is niet verwonderlijk dat ze plaatsvindt in Charlottesville. Charlottesville is een liberale enclave, een studentenstad, met een boerenmarkt en een bioscoop waar oude Franse films worden gedraaid. Tachtig procent van de bevolking heeft voor Hillary Clinton gestemd. In Charlottesville bevindt zich University of Virginia, gesticht door Thomas Jefferson, die nu, in de ogen van alt-right, een verachtelijk symbool is van de universiteitspolitiek, de ‘politiek correcte cultuur’ en de overgevoeligheid van de verwende elite.

De meeste geschiedenisboeken in Amerika wijzen erop dat de Amerikaanse democratie en de Amerikaanse raciale slavernij in Virginia gelijktijdig het licht hebben gezien: in 1619 werd niet alleen in Virginia het zogeheten House of Burgesses gekozen, maar arriveerden er ook ‘een stuk of twintig negers’ in Jamestown, met een Nederlands slavenschip. In 1720 kon voor het eerst de slavenpopulatie in Virginia in stand worden gehouden door het aantal geboorten binnen de slavengemeenschap, zodat er geen slaven meer aangevoerd hoefden te worden – een gruwelijk unicum in de geschiedenis van de trans-Atlantische slavernij. Door deze ‘natuurlijke’ aanwas van slaven konden de politieke leiders van Virginia de slavenhandel afdoen als een barbaarse praktijk en zichzelf, met al hun slaven, afschilderen als nobele paternalisten. Deze verwrongen morele superioriteit is het thema van Edmund Morgans klassieker uit 1975, waarin hij het koloniale Virginia schetst: American Slavery, American Freedom.

Dit is het milieu dat verlichte slavenhouders als Thomas Jefferson, James Madison en James Monroe heeft voortgebracht. Standbeelden van deze belangrijke presidenten uit Virginia staan voor het stadhuis, niet ver van de plek waar Jason Kessler door een vrouw de struiken in wordt geduwd nadat hij is gevlucht van zijn eigen persconferentie, de dag na de moord die is uitgelokt door zijn demonstratie. De menigte heeft hem verjaagd door ‘Schande!’ te scanderen.

Medium hh 69233336 copy
‘You! Will Not! RePLACE us!’ Charlottesville, 11 augustus © John Rudoff / Polaris / HH

Op vrijdagavond, de avond voor de demonstratie, gingen we naar de universiteitscampus voor een dienst van Congregate Charlottesville, de organisatie die geestelijken heeft gevraagd zich aan te sluiten bij de tegendemonstratie. We mochten niet naar binnen: Cornel West was een publiekstrekker en de zaal puilde al uit toen we aankwamen. Pas later die avond hoorden we van de fakkeloptocht, en kijken we naar de video die ervoor zorgt dat er zaterdag zo veel tegendemonstranten kwamen.

Van alles wat er dit weekend gebeurde, was die ritualistische scène misschien het meest luguber in al zijn spookachtigheid. Hij bracht literaire bespiegelingen in herinnering, over het Amerikaanse fascisme en antisemitisme, van Sinclair Lewis’ It Can’t Happen Here en Arthur Millers Focus tot Philip Roth’s The Plot Against America. Het was een moderne kkk-mars, een moderne lynchmenigte, met poloshirts in plaats van witte lakens. Was het echt zo vergezocht dat er hier ook gekleurde studenten van University of Virginia kunnen worden gelyncht?

Als je naar de opnamen kijkt op Periscope – de beelden van Emily Gorcenski, een transgender activist uit Charlottesville, vind ik de meest indringende, en de moed die nodig is geweest om deze beelden te maken beneemt me haast de adem – zie je de commentaren van andere kijkers door het beeld lopen. Het is een confrontatie met zowel het kwaad als het cynisme. Opgewekte doodsbedreigingen en opgewekte hoon voor wie die doodsbedreigingen serieus neemt. Voor mij typeert dit onze tijd, deze versmelting van trolling en terrorisme, griezelig en angstaanjagend.

Studenten aan de theaterschool definiëren acteren wel als ‘herbeleefd gedrag’. Als de methoden van de militaire geschiedschrijving enig licht kunnen werpen op de gebeurtenissen tijdens de demonstratie en de tegendemonstratie van zaterdag, dan kan het vocabulaire van de performance iets overbrengen van de rituele gruwelijkheden van vrijdag: het feit dat er een script aan ten grondslag ligt, de overlap van afschuw en vertrouwdheid. Het is zowel een echte nazibijeenkomst als een pastiche, zowel een echte actie als een groteske repetitie. Ik denk dat mensen dat bedoelen wanneer ze dit weekend karakteriseren als ‘surrealistisch’. Het is een woord dat we meermalen horen. Nachtmerries zijn surrealistisch, demonen zijn surrealistisch. Het is surrealistisch omdat het kwaad open en bloot aan het licht komt, terwijl het tegelijkertijd op duivelse wijze is gemaskeerd.

De Confederatie-monumenten die de afgelopen maanden als decor dienen voor dit drama van Amerikaanse bodem stammen uit de tijd van de Jim Crow-wetten. Maar ze behoren niet exclusief toe aan de zuidelijke staten, niet eens exclusief aan Amerika. In de tijd dat deze monumenten werden opgericht leefde de cult van Robert E. Lee, die zou worden gekenmerkt door ridderlijkheid en edelmoedigheid, minstens zo sterk in Europa als in de Verenigde Staten. Het beeld van Thomas ‘Stonewall’ Jackson is onthuld in 1921, zestig jaar na de Burgeroorlog, en de beeldhouwer kwam uit New York. Aan het standbeeld van Lee, dat drie jaar later werd geplaatst, is eerst gewerkt door een New Yorker, en later door een Italiaanse immigrant.

Henry James reisde in 1904 en 1905 door de Verenigde Staten – een periode waarin de moderne romantiek van de Confederatie op schrift werd gesteld en in de canon werd opgenomen – en schreef het reisverslag, The American Scene. Hij ging naar Richmond, de hoofdstad van de Confederatie, in de hoop daar iets van de romantiek van de Confederatie te vinden. Hij ‘schraapte en schraapte, op zoek naar die romantiek’, maar er was geen spoor van te vinden. Hij stuitte enkel op lelijkheid, en het Richmond-hoofdstuk van dat boek is dan ook een studie in verveling en ontgoocheling. Er staan passages in over zwarte Amerikanen die de moderne lezer ineen doen krimpen, maar James heeft het vooral over ‘het oude beeld van het Zuiden’, ‘een ongekende dwaling’, ‘een maatschappelijke orde gestoeld op waanideeën en uitsluiting’, ‘het immense, groteske en mislukte project… haast meelijwekkend in zijn onnozelheid, van een grote Slavenstaat’.

Zijn omzwervingen culmineren in een beschrijving van het destijds nieuwe standbeeld van Robert E. Lee te paard in Richmond. De opdracht was gegeven in 1876, het standbeeld werd onthuld in 1890; het is een van de oudere standbeelden. James’ beschrijving verbaast me. Hij vond het een mooi beeld op een verlaten, lege plek, als ‘een schitterende parel uit zee, aangespoeld op een kaal en woest strand’. Het beeld straalde een ‘weemoedige grootsheid’ uit, kijkend naar ‘een desolate leegte’. De hoge zuil waarop het stond was een ‘sokkel van boetvaardigheid’, geen schraag van triomf: Lee bevond zich in ‘de ware hemel van nietigheid’. Het standbeeld riep duidelijk iets anders op dan de makers hadden beoogd: geen romantisch beeld van de Confederatie, maar het besef dat er ‘valse goden waren aanbeden’.

The American Scene weet zowel het niet-historische aspect van de standbeelden te vangen als hun zinloosheid. James had de luxe alles van een afstand te kunnen bekijken, met een zekere ironie. Voor mijn verslag vanaf de zijlijn geldt in feite hetzelfde. Maar die conclusie heeft een bittere bijsmaak. Het is vreemd om mee te gaan in James’ lange, vreemde, meanderende, complexe zinnen van een eeuw geleden, want dit moment waarin wij leven is helemaal niet ingewikkeld. Een man schreeuwt tegen Jason Kessler, die zijn eigen persconferentie ontvlucht, na de moord op Heather Heyer: ‘Haar bloed kleeft aan jouw handen, haar bloed kleeft aan jouw kap.’ Een paar uur na de aanslag, nog voor haar naam bekend is gemaakt, zegt een van de sprekers bij McGuffey Park: ‘Het bloed van degene die vandaag is omgekomen, kleeft aan de handen van Trump.’ De grootste waarheden zijn vaak bondig. Het Charlottesville waar ik geregeld kom is geen lelijke, desolate plek. Charlottesville is meer dan het trumpistische nazituig dat erheen trok, dood en verderf zaaide en weer vertrok.


Vertaling: Nicolette Hoekmeijer