Troost

Het opdoemen van een beeld uit het onbestemde, zoals de Weimaraners van Siegfried Anzinger, is een klassiek artistiek motief uit de Romantiek.

Ineens, uit de herinnering, kwam mij een schilderij van Siegfried Anzinger voor ogen zweven: het bleke, stille Zwei Hunde – Eine Hand uit 2000. Bijna letterlijk verschijnt het zo, want het brede doek is zo dun en bevend geschilderd dat het er zo licht uitziet als de roerloze grondnevel die we op vochtige ochtenden in de vroege herfst, als de zon nog laag is, in slierten boven de velden zien hangen. Ook de kleuren in deze fantasie zijn wonderlijk licht van toon, fragiel ook: we zien een fijnzinnig weefsel van lichtgrijze oker met sporen van nog lichter bruinroze. Met brede streken van een zachte, platte kwast, gestaag behoedzaam van links naar rechts, is het doek tot een onbeschrijflijk ijle ruimte omgetoverd. Ik had het schilderij al een paar jaar niet gezien. In herinnering had ik vooral die nevelachtige transparantie – een lichte mist van dunne kleur.

Ik wist, toen ik aan het beeld dacht, dat er ook iets figuratiefs op gebeurde – en ik wist zeker dat het hazen waren. Dat gebeurt als je schilderijen in het hoofd gaat voltooien als de herinnering nog niet precies is. Dan dringen zich beelden op uit andere bron. Want het motief van dunne nevel laag boven de velden waarin vage figuren zichtbaar worden, is mij vooral vertrouwd van mijn plek op het platteland in East Anglia. In de heldere kou van de herfstmorgen zag ik daar wel eens hazen zigzaggen. Met hun vliegensvlugge bewegingen verstoorden ze de roerloos hangende mist waarin, als een spoor achter hen aan, kolkende opstuivingen van nevel ontstonden die glinsterden in de zon. Wordsworth heeft dit ook gezien en in een gedicht (Resolution and Independence) beschreven: hoe de haas met haar poten door het drassige gras ‘raises a mist, which, glittering in the sun/ runs with her all the way, wherever she doth run’. In mijn geestesoog zag ik hazen in een grillige slalom heen en weer rennen en vergeleek ik hun bewegingen in de nevel met hoe een wendbaar, lenig penseel in natte verf verrassende figuren laat ontstaan. Ik herinnerde mij de mooie souplesse van Anzingers schilderkunst. Het was of ik de hazen zelf in de verf zag bewegen.

Bij nader inzien bleken de hazen twee honden, Weimaraners, te zijn, met vlak boven hen een strelende hand – de honden zitten daar trouwens wel in lenig geplooide houding. Hun lichaamsdelen (poten, staart, oren, snuit) lijken zo verknoopt en zo los, en buigzaam ook zijn ze geschilderd, dat hun lichtige kluwen eruitziet als een grote strik. De voorste van de twee zit wat in elkaar gedoken en kijkt naar boven naar iets wat wij niet zien. De andere is alerter. Hun omgeving is een wazige en geschilderde ruimte van wit en lichtgrijs en oker die zo breed en transparant is als een filmbeeld. Daarin zijn de honden onwerkelijk als een fata morgana – maar ook zijn ze het kronkelige motief van waaruit de schilder de ruimte ontvouwt. Ik dacht ook aan dit schilderij bij het zien van In the Distance, een twee minuten durend (en zich herhalend) filmwerk van Marijke van Warmerdam. Het is zo dat kunstwerken elkaar steeds wakker kussen. Eerst kijken we door een raam dat aan het beslaan is waardoor de blik naar buiten is vertroebeld. Dan komt een hand in beeld die het raam schoonveegt zodat we buiten in het park een ouder echtpaar ontwaren, op een bankje aan het water. Het beeld is melancholiek als een oude foto. Dan beslaat het raam opnieuw. Het is een dromerige film zoals het schilderij van Anzinger ook dromerig is – omdat beide kunstwerken, zoals alle kunst, meer willen laten zien dan eigenlijk te zien is. Ze proberen het zichtbare naar het ongewisse uit te breiden.

Dit opdoemen van een beeld uit het onbestemde is een klassiek artistiek motief uit de Romantiek. Denk vooral aan Casper David Friedrich. Maar in het gevoel van Goethe voor verschijnselen van de natuur had dat langzaam zichtbaar worden uit ondoorzichtige versluiering ook een symbolische betekenis. Om zijn droefenis te verwerken over de dood van zijn vriend en maecenas, de groothertog Carl August, gaat hij in de zomer van 1828 naar het kleine kasteel in Dornburg bij Jena. Daar kijkt hij uit over het dal van de Saale en ziet (als een opluchting) hoe in de vroege ochtend van de zomerdag het dal, de bergen en de tuin weer zichtbaar worden als de nevels beginnen op te lossen. Het begint: ‘Früh, wenn Tal, Gebirg und Garten/ Nebelschleiern sich enthüllen’ en gaat verder met hoe de opstekende wind de wolken verjaagt en een ‘blaue Sonnenbahn bereitet’. Wat er al niet bij je opkomt als je begint met het kijken naar een nevelig schilderij en een atmosferische film, maar ook uitkomt bij de dichter die met zijn karige woorden ons laat zien hoe door licht een landschap kleur krijgt en weer tot leven komt. Dat is van kunst de troost.


PS De film van Marijke Warmerdam bevindt zich in de collectie van Boijmans Van Beuningen. Het schilderij van Siegfried Anzinger is in Amsterdam in het Stedelijk Museum