Troost

Troost. Ik weet daar niet goed raad mee.

Zoveel mensen er zijn, zoveel vormen van troost zijn er en zoveel vormen van troost heb je nodig.

En ook de gebeurtenis moet je niet onderschatten.

Mijn moeder stierf na een lijdensweg. Ze was al over de tachtig. Ze zei dat ze een mooi leven had gehad.

Had ik troost nodig?

Mijn vader besefte dat hij zou sterven. Dat vond ik pijnlijk. Maar misschien was dat wel niet zo. Ik heb vergeten de juiste vragen te stellen.

Toen hij was gestorven, vroeg ik me ook af wat voor troost ik nodig had.

Nee.

Net als bij mijn moeder. Ik miste beiden, maar troost was onnodig. En zat me soms zelfs in de weg.

Bij een moord is dat anders.

Toen een goede vriend van mij werd vermoord, zat ik een paar uur later in een televisiestudio. Men keek mij meewarig aan. Wist niet goed wat te zeggen. Sommigen pakten mijn hand, anderen vertelden dat ze het een schoftenstreek hadden gevonden.

Ik merkte wel wat mij niet troostte: als ik weer moest vertellen hoe ik de dag had beleefd, en wat me ook niet troostte waren de beelden die ik steeds maar weer moest zien van een tent waarin (of waaronder, wat zeg je eigenlijk) een lichaam lag.

Een paar weken later kwam uit christelijke hoek de vraag: ‘Kun je vergeven?’

Vergeven… een woord waar ik eigenlijk niet zo over had nagedacht, maar dat ik nou in een paar nanoseconden zou doen. Vergeven – wat was het meer dan een woord? Was het een handeling? Zo ja, welke? Ik wist het niet. Natuurlijk wist ik ongeveer wat het betekende. Iets van: ik moest het niet meer erg vinden, iets van: zand erover, iets van: en nu doorgaan, iets van: we sluiten het hiermee af…

Maar nee, ik wist goed beschouwd helemaal niet wat vergeving inhield.

En als vergeving vervolgens hard werken wordt, heeft het ook iets onrechtvaardigs. Een woord moet dan namelijk een daad worden, die je niet kunt overzien en waarvan de redelijkheid speculatief is.

Vergeving zou me dan ook niet hebben getroost.

Wat betekent verlies als je ermee hebt leren leven?

Ik voelde woede. Ik wilde wraak. Wraak zou mij hebben getroost

Ik voelde woede. Ik wilde wraak. Wraak zou mij hebben getroost.

Ik moest meteen denken aan de eerste regels van de Ilias: ‘Bezing Godin, de wrok van Peleus’ zoon Achilles.’

Wrok. Wraak. Dat begreep ik. Wraak is: op de schaal die tegenover het verlies uit evenwicht hangt iets neerleggen wat de balans in evenwicht brengt.

Een andere moord? Straf? Wat brengt je weer in balans? En troost dat?

Ik heb geprobeerd woede en wrok om te zetten in taal.

Omdat je in taal kunt moorden, terwijl je niemand vermoordt. Taal biedt ook de mogelijkheid om dichtbij te komen en tegelijkertijd afstand te nemen.

En je doet er anderen ook een plezier mee.

Ik schreef.

Schreef Homerus daarom ook een dichtwerk? Omdat je je machteloos voelt om wraak te nemen, en pen en papier goedkoper zijn dan een wapen?

Echt geloven dat er iets bestaat dat troost, doe ik niet.

Het is daarvoor een te religieus begrip. Je kunt troost niet vatten, je kunt er niet bij. Het is een woord dat is uitgevonden om het tekort van God op te vullen.

Het enige wat misschien enigszins troost is die vermaledijde tijd.

Wat is een moord na al die tijd nog? Wat betekent verlies als je ermee hebt leren leven?

Ik krijg nog steeds de vraag of ik de dader heb vergeven. Daarnet, trouwens.

Ik hoorde teleurstelling toen ik ‘nee’ zei.

Ik kon geen reden vinden waarom ik zou vergeven. Had de dader iets goeds bewerkstelligd? Was ik er beter van geworden? Het beste wat ik erover kon zeggen was dat ik er steeds minder aan dacht.

Maar dat het mijn aandacht niet had verloren.