Laaghangende oordelen

Troost

Medium croptroost1

Het gesprek met gelovigen gaat nog altijd door, ook naar aanleiding van deze columns. Er is soms een misverstand over het type gesprek waar ik op uit ben. Het gaat me om een publiek debat, niet om persoonlijk contact over iemands kerk- of godservaringen. Dat soort post krijg ik al dagelijks.

Wat kerkelijke trauma’s betreft, verwijs ik vaak door naar kerkverlaterscoach Inge Bosscha, ervaringsdeskundige met een goed oor voor manipulatie door de groep die verlaten is/wordt. En verder zijn en blijven persoonlijke godservaringen van gelovigen niet-controleerbare verhalen van anderen. Ik zal niet ontkennen dat mensen God kunnen ervaren, mensen zijn in staat geesten van overleden mensen te ervaren, evenals straling van magnetrons. Ik kom door die verhalen alleen niet tot geloof.

Het publieke gesprek met gelovigen vind ik belangrijk, omdat we een samenleving delen waarin standpunten en acties van de ene groep gevolgen hebben voor de andere, bijvoorbeeld over vrijheid van godsdienst, immigratie, winkeltijden, belastingaftrek voor religieuze anbi-instellingen, vaccinatie, levensbeëindiging en klimaat. Bovendien zijn opvattingen niet per definitie star en onveranderlijk.

Laatst sprak ik met een grote groep reformatorische studenten van de Theologische Universiteit Apeldoorn. De middag werd begeleid door een vijftal dominees. Een van hen instrueerde me vooraf om me niet in te houden. De studenten zaten iets te veel in hun eigen refo-bubbel. Ze moesten maar eens flink geconfronteerd worden met de ideeën van een andersdenkende.

Ik vermoedde al dat ik om die reden was uitgenodigd en had overwogen of ik me daarvoor zou lenen. Ging het om uitwisseling van ideeën of moesten de studenten leren debatteren? Bovendien zou me overkomen wat ik altijd meemaak als iedereen in het publiek gelovig is: dat rare gevoel dat ik met mijn afwijkende mening gekke Henkie ben. Daar horen ook medelijdende blikken bij. Och arm, zij gelooft niet. Zo zielig!

Ook de theologiestudenten vroegen zich af wat ik kwam doen ‘in het hol van de leeuw’. Ik legde uit dat schrijvers vaak lezingen geven over hun werk en dat ik qua publiek geen onderscheid maak. Een uitnodiging van refo’s neem ik natuurlijk ook aan. Als je een boek schrijft over de refo-zuil moet je niet wegduiken als je wordt gevraagd tekst en uitleg te geven.

Verwarrend zijn zulke optredens wel. Niet-gelovig publiek dat ik aantref in boekhandels en bibliotheken vindt mij vaak ‘moedig’ dat ik aan zo’n enge sekte wist te ontsnappen. Hier heeft men daar ‘verdriet’ om. Er is ook boosheid om mijn verraad, maar de bozen blijven meestal thuis.

Mensen kunnen God ervaren, evenals straling van magnetrons

Deze gevoelens maken de gesprekken met refo’s heel intens. Op de theologenmiddag gaf een van de dominees een zeer diepgaande en adequate analyse van mijn laatste roman. Bovendien citeerde hij met smaak de typisch reformatorische grapjes. Aanvankelijk kreeg ik niets dan begrip en lof. Tot hij aankwam bij het moment dat hoofdpersoon Gina haar geloof verliest. Daar had hij moeite mee. Waren de vragen waarmee ze worstelt op het moment dat ze een keuze maakt geen rationalisaties die achteraf pas hoorden plaats te vinden? Is het niet veel waarschijnlijker dat iemand eerst het geloof uit zijn handen laat glippen en daar pas later de argumenten bij bedenkt?

Dat bestaat ook, zei ik, verbluft dat iemand die in de meest bizarre wonderen gelooft vraagtekens had bij dergelijke innerlijke overwegingen – en dan vooral met de volgorde. Ik ken inmiddels veel verhalen van geloofsverlies. De wegen om daar te komen zijn legio.

Je voorstellingsvermogen voegt zich naar je wereldbeeld. Dat bleek maar weer. Ook uit de vragen van de studenten.

‘Als Jezus de Weg, de Waarheid en het Leven is’, vroeg iemand vertwijfeld, ‘waarom wijs je Hem dan af?’ Hoe kon ik zo dom en koppig zijn?

Ik zei dat ik niet meer leefde met het narratief dat we op aarde zijn om ons op onze daden te laten beoordelen door iemand in de hemel die eisen stelt waaraan niet valt te voldoen, zodat er bloed nodig is om Hem tevreden te stellen. Alleen mensen die als kind geen alternatief wereldbeeld kregen gepresenteerd, kunnen in zoiets geloven.

Het leek de eerste keer te zijn dat hij zoiets hoorde, wat ik me overigens heel goed kon voorstellen, want zoiets had ik op zijn leeftijd ook nog nooit gehoord. Binnen je eigen zuil vindt niemand dat en buiten je eigen wereld is er niemand die precies je vragen snapt.

‘Wat is dan nu uw enige troost in leven en in sterven?’ vroeg een andere student.

Dat is de vraag waarmee de Heidelberger Catechismus opent. Het antwoord ken ik net als zij uit mijn hoofd en even was ik weer dat meisje dat in zulke taal dacht en sprak. Maar hun antwoorden waren de mijne niet meer.

Ik heb moeite met het woordje ‘enige’, zei ik. Er zijn zovéél dingen die ik troostend vind: lekker weer, lekker eten, fijn gezelschap, gevoelens van liefde, mooie boeken.

In de trein terug herhaalde ik dat antwoord voor mezelf. Lekker weer, lekker eten, fijn gezelschap, gevoelens van liefde, mooie boeken.