TONEEL: Branden

‘Troost ieder stukje’

In de tekst van het toneelstuk Incendies (Branden) van Wajdi Mouawad, een Canadees van Libanese afkomst, hangt het fijnstof van talloze burgeroorlogen - al wordt er niet één bij de naam genoemd en blijven de namen van bevolkingsgroepen die afwisselend daders en slachtoffers zijn onvermeld.

Medium m 773

De tijdloze speelvloer die Thomas Rupert heeft ontworpen is bedekt met zwart grind, er hangen witte doeken in de ruimte, handig voor enkele trefzekere schimmenspelen, maar misschien ook verwijzingen naar een nomadisch bestaan. Aan weerszijden van het toneel liggen stapels gevouwen gekleurde doeken, die door toneelspelers worden omgeslagen, maar ook het grind wordt er tijdelijk mee bedekt. De prachtige vormgeving verwijst naar zichzelf en illustreert niets.
Zoals de personages in Branden in de eerste plaats zichzelf citeren, hun eigen dooltocht vertegenwoordigen, in en uit een hel stappen die zowel een lichtflits is uit de eigen biografie als een open wond uit de geschiedenis van de vergelding. Boven de vertelling hangt maar één dwangmatig geformuleerde opdracht: je moet je geschiedenis leren kennen, anders zal die zich als een nachtmerrie tegen je keren. In de woorden van het centrale personage van het stuk, de vrouw die er in diverse gedaanten (kind, meisje, moeder, dode) doorheen zwerft: ‘De geschiedenis ligt aan stukken. Voorzichtig. Troost ieder stukje. Voorzichtig. Maak iedere herinnering beter. Voorzichtig. Koester ieder beeld.’
De vertelling van Branden is in aanzet van een schitterende eenvoud. Een tweeling krijgt, via het testament van hun tot in haar dood in zwijgzaamheid gehulde moeder, de opdracht hun vader en broer te zoeken. De zoon weigert, de dochter accepteert. Beiden stuiten op ertsaders van pijn, verdriet, wanhoop en uiteindelijk overwonnen wraakzucht. Hun queeste, in de vorm van wat een kruising lijkt tussen een whodunnit en een ontbladerde autobiografie, leidt tot zeer pijnlijke inzichten, een laag voor laag afgepelde geschiedenis, zelfkennis misschien, mogelijk zelfs mededogen, maar hoe dan ook: inzicht. De dochter Jeanne (Esther Scheldwacht) volvoert de zoektocht met een stoer doorzettingsvermogen, de zoon Simon (Nasrdin Dchar) volgt op afstand, merkt dat hun geschiedenis hem hardhandig onderuit schopt, hem stil maakt, zoals hun gestorven moeder in haar nadagen was. Die moeder, Nawal, over wie we steeds meer te weten komen, wordt gespeeld door Fanja Sorel, die dat doet door twee cruciale levensstadia van Nawal, het levenslustige meisje en de door oorlogswonden geslagen vrouw, door en naast elkaar te tonen, zó zuiver en zonder opsmuk, doorleefd én met afstand, dat je twee uur aan haar lippen hangt en ook bereid bent emotioneel ver met haar mee te gaan.
De kracht van de voorstelling steekt er ook in dat enkele ondersteunende rollen worden gespeeld door niet zulke geoefende acteurs, ook 'amateurs’ geheten, liefhebbers in het tonen en demonstreren van de eigenaardigheden van mensen, die voorts vooral overtuiging en levensvuur meebrengen. Zoals Bright Omansa Richards, die in zijn gestiek, taalgebruik en ogenschittering iets duivels heeft, een waanzin waar ik van schrok en die tegelijk diep ontroerde. Kijkend bedacht ik dat dit echt een belangrijke voorstelling is, een noodzakelijke vertelling die per se nú gedaan moet worden, die daarin groots is, waarin rake klappen worden uitgedeeld, waarvan de pijn als brandmerken achter de huid gaat zitten. Om kort te gaan, zo'n zeldzame voorstelling waarvan je aan je lendewater voelt: hier is toneel ooit voor uitgevonden.

Branden, regie Alize Zandwijk, RO Theater. www.rotheater.nl