Gummbah, Daar gaat Fout Varken

Troost is een illusie

Gummbah

Daar gaat Fout Varken

De Harmonie, 112 blz., e 12,50

Een geile homp vlees met verwarrende gedachten. Zo zou je het mensbeeld kunnen samenvatten dat wordt opgeroepen in de tekeningen van cartoonist Gummbah. Gummbah, alias Gertjan van Leeuwen, tekent al meer dan tien jaar absurdistische cartoons voor onder andere Humo, de Volkskrant en Nieuwe Revu. Cartoons die bevolkt worden door dikke naakte mensen, soms in lingerie, en regelmatig met een pijp in de mond. Mensen die wanhopig zoeken naar de reden van hun bestaan. Zoals de oude bebrilde man die aan zijn dominee vraagt hoe «een net niet zwakzinnige vrouw van 130 kilo, onder de genitale wratten, die hoer genoemd wil worden» in vredesnaam in Gods plan past. Het antwoord van de dominee is zowel kort als helder: «Zeg ik niet.» Met die onzekerheid moeten alle personages het doen.
Een vaste gastrol wordt in het werk van Gummbah al sinds jaar en dag vervuld door kettingrokende smurfen. In een eerdere bundel kijkt een gedeprimeerde man twee smurfen mismoedig aan met de constatering: «Jullie hebben makkelijk praten, jullie bestaan niet.» In Daar gaat Fout Varken trekt de smurf aan het kortste eind als hij verzucht: «Was ik maar nooit geboren!» Meteen krijgt hij van een mens ingewreven dat hij nooit geboren is. «Oh nee?» bitst de smurf terug, «als ik niet besta, wie drinkt dit glas dan leeg?!» Waarop we zien hoe de smurf op het moment dat hij het glas leeg wil drinken, in Pierre Kartner verandert.

De relatie tussen de niet bestaande smurf en de wel bestaande maar zichzelf niet begrijpende mens is een verbeelding van een ander vast thema in het werk van Gummbah: het verlangen troost te vinden in kunst, gekoppeld aan de wetenschap dat die troost een illusie is. Iemand die daar keer op keer mee geconfronteerd wordt, is de schrijver. Ook hij komt al jaren voor in het werk van Gummbah, meestal met pijp in de mond. Soms zit hij bij zijn uitgever, soms zit hij thuis te schrijven, en soms staat hij achter een katheder om gedichten voor te dragen aan een bijna lege zaal. «Welk kutgevoel zal ik nu weer ’s tot uitdrukking brengen…» peinst de schrijver op de eerste bladzijde van Gummbahs vorige bundel. Voordurend voelen we dat de schrijver nooit in staat zal zijn om onder woorden te brengen wat er aan de hand is.

In zekere zin is Fout Varken net als Kut Beer Wijnand in de wereld van Gummbah een nieuwe verschijning, een reïncarnatie van deze schrijver. Fout Varken loopt voordurend rond met zinnen waarachter een grootse betekenis schuil lijkt te gaan, zoals: «De dorstige, polyester kudde bij de zilverpapieren drinkplaats, beschenen door vuurrode harses van het zich kapotvriezende kind.» Net als Gummbah heeft hij een uitzonderlijk taalgevoel, maar hij voelt niet de behoefte er een kasteel van te bouwen omdat hij weet dat dat toch nooit zal lukken.

Gummbah zelf treedt zo nu en dan op met een lezing waarin hij vertelt over boeken die nooit zijn geschreven, maar waarvan hij wel het omslag heeft ontworpen. Zoals Borduren met gebalde vuisten, een psychoanalytische borduurroman. Voor in Daar gaat Fout Varken staan ook een aantal boeken die verwacht worden van de schrijver, zoals De successtory van de dood en het minstens zo intrigerende Dingen tegen lust. Ook hier het verlangen een kunstwerk te maken en de wetenschap dat het altijd bij een poging zal blijven. Het is die poging die door Gummbah steeds opnieuw wordt gevierd.

Behalve met nieuwe personages experimenteert Gummbah in deze bundel met een nieuwe vorm. Naast de losjes getekende buitenproportionele figuren ontstaan er steeds vaker realistische illustraties met getypte in plaats van geschreven tekstballonnen. Deze tekeningen krijgen de uitstraling van een instructieboek. Gummbah laat hiermee zien dat onze taal minstens zo wanhopig, lelijk en ontoereikend is als de uitgelopen lichamen die we van hem gewend zijn. Zo zien we een strak getekende jongeman en zijn geleerde vriend in een ernstige discussie. De enige zin die Gummbah ons uit hun gesprek gunt is: «Een dubbelfocus bril, dat was wat hoor, in die tijd!»

Uit een gesprek tussen twee kwaadaardig uitziende en opnieuw realistisch getekende striphelden vangen we op: «Sinds ik hermetische gedichten schrijf, sta ik veel meer in de belangstelling van de vrouwtjes dan toen ik alleen nog maar uit mijn bek stonk.» De instructies die Gummbah ons op deze manier geeft, zijn al in stukken gevallen nog voor we ze hebben kunnen opvolgen.

Dat Gummbah zo durft te experimenteren, en al doende steeds nieuwe manieren vindt om zijn verhaal te vertellen, onderscheidt hem van bijna al zijn collega’s. Waarom de literaire en grafische kwaliteiten van Gummbah nog steeds niet tot een onderscheiding of overzichtstentoonstelling hebben geleid, is dan ook een groot raadsel. Daarbij is hij ook nog eens de grappigste cartoonist van Nederland. Al valt dat laatste niet te bewijzen, het maakt het raadsel wel groter, en zijn nieuwe bundel des te aantrekkelijker.