‘Het water heeft een magnetische aantrekkingskracht: de rust en je altijd maar afvragen wat er achter de horizon ligt’, zei Laura Dekker ruim twaalf zomers geleden toen ze op het punt stond om als jongste solozeilster ooit de planeet rond te varen. Ze wilde zichzelf ontplooien, de zee op omwille van de zee. Een mediastorm en vele rechtszaken volgden. Kon een kind wel volwassen zijn, mocht een meisje zo lang alleen het water op, moest ze niet haar schooldiploma halen? Maar Laura zeilde in haar bootje Guppy weg en brak ruim vijfhonderd dagen later inderdaad dat record.

Negen jaar na die soloreis ging er onder grote mediabelangstelling opnieuw een kind scheep. Greta Thunberg zeilde in de zomer van 2019 in twee weken van Plymouth naar New York. Ze reisde niet alleen, was geen seconde bezig met records, zocht geen rust of zelfontplooiing, maar wilde demonstreren bij een klimaattop. Enkel noodgedwongen kwam ze per zeilboot, omdat ze uit principe niet vliegt. Op de terugweg nam ze een catamaran.

Dekker en Thunberg zijn inmiddels allebei volwassen vrouwen. Beiden geboren in bevoorrechte gezinnen, beiden schopten ze tegen het systeem. Ze schelen maar acht jaar, toch is ergens tussen het ‘zeilmeisje’ en het ‘klimaatmeisje’ de tijdgeest omgeklapt als een giek in een storm. Van individualistisch escapisme naar collectieve systeemverandering. Van Narcissus, die met zichzelf bezig is, naar Atlas, die de wereld torst.

Zeilen omwille van het zeilen: dat is nu iets wat boomers doen en het wordt al gauw gezien als decadent escapisme. Zou er nu een meisje op wereldreis vertrekken, dan zouden journalisten haar niet vragen naar haar schoolexamens of navigatiekunst, maar waarom ze onderweg niets doet aan de plastic soep.

Als dat meisje tenminste niet zelf over de soep zou beginnen. Want de kinderen van tegenwoordig lijken zo weinig met zichzelf bezig, zo veel met de wereld. Ze spreken ernstig over de wooncrisis, het klimaat, politiegeweld. Zelfs jeugdhonk TikTok is verpolitiekt: daar beginnen kinderen onder het dansen nu over het racisme achter cbs-statistieken of de wanpraktijken van fast fashion. Gaat het nog wel goed met het narcisme van de jeugd? Waar is het gezonde navelstaren, de vrolijke selfie, de onbekommerde make-up-tutorial?

Narcissus verwaarloost zichzelf. Hij staart naar de spiegel van de zee en ziet niet langer zijn eigen gelaatstrekken, alleen de waterspiegel zelf die maar stijgt en stijgt. Narcissus is nu een doomscroller.

De omslag zie je ook op televisie. Terwijl Laura op zee doolde, maakte Jort Kelder nog afleveringen van Hoe heurt het eigenlijk?: licht ironische zedenschetsen van de gefortuneerden. De Jort Kelder van tegenwoordig, Sander Schimmelpenninck, maakt ernstige televisie over de sociaal-economische kloof. Of neem de beeldende kunst. Ik schrijf dit in een antikraakpand in Rotterdam waar ook veel jonge kunststudenten hun atelier hebben. Ze vertellen dat vrijwel al hun jaargenoten geëngageerde kunst maken over gender en politiegeweld. Wie domweg iets prachtigs wil scheppen – zeg een troostende karaf – is al gauw een outcast. Omdat het, vrij naar Brecht, een zwijgen over zoveel misstanden betekent.

Ook in mijn eigen vak, het schrijven, is de giek omgeklapt. In 2016 verbaasde Amitav Ghosh zich er in The Great Derangement nog over dat er nauwelijks romans waren over het grootste probleem van deze tijd: het stijgende water. Er is naar hem geluisterd, massaal. ‘Klimaatroman steeds populairder’, berichtte Nieuwsuur vorig jaar. Alleen al in Nederland rolden er dat najaar tientallen klimaatromans van de persen, ‘de ontijdingen spoelen de lezer letterlijk tegemoet’, aldus de verslaggever. De wereld wint weer van het ik.

Een paar jaar terug kon ik in een kwade bui nog mopperen dat schrijvers zo veel over zichzelf schreven en zo weinig op straat kwamen. Als ze al politieke interesse toonden, dan vaak via hun eigen lichaam: het ging over gender en kleur. Fix dit, fix dat. Minder over bijvoorbeeld klassenverschillen of sociaal-economische issues, maar inmiddels: niets te klagen. Als ik wil kan ik mij bijvoorbeeld laven aan Van armoede (2022), een literaire reportage over het leven van de onderklasse, van de begenadigde schrijver Jonah Falke. Zelfs in de wandelboeken kan ik niet meer ontsnappen aan de wereld: de moderne klassieker Het zoutpad van Raynor Winn, bijvoorbeeld, gaat evengoed over dakloosheid en de wooncrisis als over al dat moois langs oude wegen.

Misschien is het de eeuwige golfbeweging van autonomie en engagement: het dolende ik legt het nu even af tegen het alwetende wij. Misschien komt het door de algoritmen, die indirect ook de literatuur besturen: verontwaardiging wint het van existentiële troost. En ongetwijfeld is er in de wereld zelf iets veranderd: het water stijgt echt, ongelijkheid neemt echt toe. Ook schrijvers voelen dat. Vroeger woonden schrijvers in de grachtengordel, nu in Amsterdam-Noord. Ik voorspel veel romans over nomaden en dakloosheid.

Op mijn telefoon houd ik een leeslijstje bij van Europese tijdgenoten die over de uitbuiting der arbeiders schrijven (in plaats van over zeg, liefdesperikelen van architecten en violisten). Het lijstje groeit. Orderpickers en fruitplukkers, kassières en thuiszorghulpen: alles komt langs. Niet zelden zijn die schrijvers zelf een poosje arbeider geweest. Niet omwille van de research; nee, ze deden vaak noodgedwongen klotebaantjes, soms jarenlang. Zoals de Fransoos Joseph Ponthus, die zijn jaren in de vis- en vleesverwerkende industrie optekende in Aan de lopende band. Of de Duitse Heike Geissler, die orderpicker was bij Amazon en daarover schreef in Seizoensarbeid.

Recent voegde ik Zeespiegel van Tabitha Lasley aan het lijstje toe, over arbeiders op Britse boorplatforms Zelf werkte Lasley een poos als bezorger voor een kiprestaurant. ‘Je weet maar nooit’, zegt ze ergens in het boek tegen een jongen die nog op school zit. ‘Als je goed je best doet en er hard aan trekt, kun je over twintig jaar misschien een baantje in een kiptent krijgen.’ (Vertaling Inge Pieters). Haar opmerking weerspiegelt de realiteit van een hele generatie.

De wereld dringt ons veilige leventje in, is dat het dus? Zijn we eindelijk wakker uit onze ichbezogen sluimer? Kan. Maar is de wereld nu echt zoveel wreder dan voorheen? Of was er iets scheefgegroeid qua verwachtingsmanagement?

Een gewaardeerde collega van De Correspondent wees me op een interessante studie over het verband tussen gefnuikte verwachtingen van jongeren en toenemende radicale politieke opvattingen (Disappointed Expectations: Downward Mobility and Electoral Change). Kort door de bocht samengevat: na de oorlog kenden we in het Westen een lange periode van opwaartse sociale mobiliteit, kinderen groeiden doorgaans op in de verwachting dat ze verder zouden komen dan hun ouders. Die verwachtingen werden meestal ook ingelost. Maar de kinderen van die kinderen hebben te maken met stagnerende mobiliteit. Niet per se omdat ze minder kansen krijgen; ook door verzadiging.

Wie nu domweg iets prachtigs wil scheppen – zeg een troostende karaf – is al gauw een outcast. Omdat het een zwijgen over zoveel misstanden betekent

De afgelopen halve eeuw zijn immers steeds meer mensen gaan studeren. Hun kinderen zullen minstens moeten promoveren om hun hoogopgeleide ouders te overtreffen. Dat lukt natuurlijk lang niet altijd, sterker, relatief veel kinderen zijn nu lager opgeleid dan hun ouders. Terwijl zij nu juist zijn grootgebracht met de belofte dat ze alles uit het leven kunnen halen, ‘als je goed je best doet en er hard aan trekt’. En dan vind je jezelf dus terug in zo’n kiprestaurant. Recept voor frustratie. Die zich volgens de onderzoekers vaak uit in politieke radicalisering: de kinderen worden actief bij Extinction Rebellion of bij extreem-rechts.

De jeugd kijkt weer naar buiten, is extraverter geworden. Op zich winst. Decennialang waren we getraind om de fouten vooral bij onszelf te zoeken. Het neoliberalisme maakte van iedereen ondernemer, ieder eigen baas in het diepst van zijn gedachten, wie faalt kon alleen zichzelf de schuld geven. ‘Waarom is de revolutie tegenwoordig niet meer mogelijk?’ vroeg de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han zich een paar jaar geleden af in een gelijknamig essay. Zijn retorische antwoord: ‘Waar zouden we tegen moeten protesteren? Tegen onszelf?’

Maar kijk, de revolutie is gekomen: de straten en de pleinen lopen weer vol demonstranten tegen het systeem. We zijn ontsnapt aan de fuik van het ik en geven nu de wereld de schuld van alles wat misgaat in ons leven. Zou het troosten?

Een paar maanden eerder sprak ik een klimaatrebel terwijl hij de BP-raffinaderij in de haven van Rotterdam probeerde plat te leggen. Ik werd getroffen door zijn fatalisme. Hij zag de klimaatcatastrofe als iets onafwendbaars. Hij vertelde dat er bij Extinction Rebellion ook vrijwillige therapeuten actief waren die hielpen om te gaan met dat besef dat de wereld naar de klote gaat. De acties zelf, zo zei de rebel, hadden ook iets therapeutisch. Daar kon ik me iets bij voorstellen. Verstrooiing van adrenaline, samen bezig in de buitenlucht.

En toch: wie zijn eigen neus continu op de feiten drukt kan niet anders dan mistroostig worden. Ruim de helft van de jongeren voelt wanhoop of verdriet over het klimaat, las ik in een profiel van Greta Thunberg door Nina Polak. Je kunt je afvragen of juist de jeugd van tegenwoordig niet een gezonde dosis escapisme kan gebruiken.

Of laat ik over mijzelf spreken: ik kan dat escapisme goed gebruiken. Die metamorfose van Laura naar Greta heeft zich ook in mij voltrokken. Toen Laura uitzeilde schreef ik nog over mijn eigen kat; mijn laatste boek gaat over onrecht in de grote stad. Ik ben verontwaardigder geworden, minder verstrooiend, laat het what the fuck vaker prevaleren boven l’art pour l’art. En ik weet niet eens zo zeker of dat komt doordat er nu navenant meer onrecht is dan vroeger. Misschien zit ik gewoon te veel op Twitter.

Moet ik niet vaker de zee kiezen omwille van de zee zelf? Raak ik mijzelf niet kwijt in al dat wereldgedruis, word ik er niet gewoon depri van (en wat heeft de wereld daaraan)? De wereld is intussen zo herontdekt; ik mis de eenzaat die ronddobbert in het mysterie. Het solozeilen, de me time.

Laatst vond ik mijzelf bij toeval terug. Ik had het requiem van Mozart in mijn schoot geworpen gekregen. Een bevriende overbuurman had eersterangskaartjes voor me geregeld in de Grote Zaal van het Concertgebouw. Zelf zou ik er niet zomaar naartoe zijn gegaan. Boomergedoe, nietwaar? Iets voor de zorgeloze klasse, de verzakers. Ik kan niet eens noten lezen, was nooit eerder in die zaal, wist niet wie Klaus Mäkelä was, de beroemde Finse dirigent die jonger is dan Laura Dekker.

Maar eenmaal binnen, mobieltjes uit, ogen dicht en: o, vervoering. Een totaal apolitieke verademing. Ogen die waterig werden en je weet niet eens precies waarom. Schoonheid, troost? Vast. Ik dacht in elk geval niet aan het onrecht in de wereld, hooguit aan die universele misstand van mensen die er niet meer zijn, van mijzelf die er ooit niet meer is, een lot dat ik deelde met de koningin in haar loge en met haar beveiligers. We trilden ieder in eigen gedachten verzonken mee op hetzelfde Rex tremendae en zelden voelde ik me zo bevoorrecht om eens mens te zijn.

Een paar weken eerder was er in diezelfde zaal een mens opgestaan om aandacht te vragen voor de catastrofe die ons allen wacht. Dat gebeurde midden in een uitvoering van het Requiem van Verdi door het Orchestra e Coro Sinfonica di Milano. De activist sprak over de overstromingen in Nigeria, zei dat hij ‘doodsbang’ was. ‘Boe!’ riepen de concertgangers volgens een verslag in De Telegraaf. En: ‘Sodemieter op, we timmeren je in elkaar!’ De mens werd afgevoerd, het orkest speelde daarna door, de luisteraars sloten de ogen.

Die activist had natuurlijk gelijk, we’re all gonna die, maar daarom zaten die mensen juist te luisteren: om in het reine te komen met hun marginaliteit. Nadat ik in het Concertgebouw geweest was, kon ik meer begrip opbrengen voor dat ‘sodemieter op’. Ja, het orkest speelde door zoals op de Titanic, zei Extinction Rebellion later in een verklaring. Maar als je ergens troost nodig hebt, dan op een zinkend schip. En als schoonheid een levensbehoefte is, waarom stoppen als de nood aan de man komt?

‘En dan die vele kussen op een valse waterspiegel,/ vergeefs!’ dichtte Ovidius over Narcissus (in de vertaling van M. d’Hane-Scheltema). Maar we moeten niet alles geloven van wat ze over Narcissus zeggen, het grootste misverstand is dat hij narcist was. Je moet je Narcissus voorstellen als een gelukkig kind op de rand van volwassenheid, dat verwonderd door de bossen dartelt, de natuur zoekt om de natuur. Een escapist die alle aanbidders afwimpelt, niet depri maar blakend van gezond zelfvertrouwen, zichzelf genoeg zonder ziekelijk met zichzelf bezig te zijn.

Je hoeft Narcissus niets te vertellen over overstromingen, hij is een kind van een waternimf en een rivier die buiten de oevers trad. Geboren uit water, gedoemd te sterven door het water: hij weet het, kent de weg die we allen gaan.

Naar het schijnt staarde hij zelfs in het dodenrijk nog naar de waterspiegel van de Styx. Niet om zichzelf te zoeken, vermoed ik, maar verwonderd over oorsprong en einde. Die magische aantrekkingskracht, waarover Laura sprak, je altijd maar afvragen wat er achter de horizon ligt.

Dit najaar verscheen van Arjen van Veelen het boek Rotterdam: Een ode aan inefficiëntie.