De totaalkunstwerken van Gabriël Lester

Troost voor de eenzame mens

In de totaalkunstwerken van Gabriël Lester blijft geen medium onbenut. Videoprojecties, lichtsequenties, readymades: alles wordt gecombineerd. «Ik probeer een dilemma te creëren.»

Momenteel vult een raadselachtige installatie de Horta-hal van het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten. Zij bestaat uit een sculptuur waaruit twaalf vierkante periscopen naar buiten kronkelen en een serie spiegelstrips, verticaal bevestigd aan de zuilen die de hal flankeren. De periscopen tonen de hal vanuit verschillende kaders, de strips weerspiegelen het perspectief en de bewegingen die er plaatshebben. Daarnaast benadrukken ze het skelet van de hal. Voor even schemert Victor Horta’s bouwtekening door zijn eigen architectuur heen.

Het werk heet Highlight (Plan B) en werd gemaakt door Gabriël Lester. Lester (1972, Amsterdam) behoort tot de meest veelzijdige kunstenaars van dit moment. Hij ontwerpt kunst voor de publieke ruimte, schrijft scenario’s, stelt tentoonstellingen samen, regisseert videoclips en maakt muziek. Periscopen en spiegels vormen slechts een deel van zijn arsenaal. In zijn totaalkunst werken blijft geen medium onbenut. Videoprojecties, lichtsequenties, readymades. Alles wordt gecombineerd.

Drie jaar geleden gooide Lester hoge ogen met het videodrieluik Choreography. Met behulp van een robotarm filmde hij de Duitse en Zwitserse natuur. Begeleid door de muziek van Gershwin en Ravel werden de beelden van bergen, bossen en beekjes in de Amsterdamse galerie Fons Welters op drie wandvullende schermen geprojecteerd. Als in een dans bewogen de beelden zich van elkaar af en naar elkaar toe. Statisch. Van links naar rechts, van onder naar boven, diagonaal. Steeds opnieuw, steeds sneller. Het effect was hallucinerend. Je bekeek niet, je ervoer.

Zo overdonderend als Lesters werk, zo sober is zijn verschijning. Met zijn gympen, zwartleren jack en een baardje van drie dagen valt hij nauwelijks op. Hij spreekt snel en gedreven. Moeiteloos legt hij dwarsverbanden tussen film, filosofie en beeldende kunst.

We praten over de performance die hij door twee hiphopdeejays liet uitvoeren. Door middel van scratch- en mix technieken werd een door Lester geschreven en op vinyl geperste voordracht in stukjes gehakt en herschikt. De performance is typerend voor zijn manier van werken. In bijna al zijn kunst worden geluiden, beelden, bewegingen of ruimtes uit elkaar getrokken, door elkaar gehusseld en in gewijzigde vorm weer aan elkaar geplakt. Gabriël Lester: «Op die manier hoop ik de kijker bij het werk te betrekken, wil ik hem confronteren met zijn eigen perceptie, met de manier waarop hij de werkelijkheid ervaart.»

Lesters werk wijze staat niet los van zijn persoon: «Ik heb een gedeconstrueerd leven geleid. Mijn ouders kwamen niet uit Nederland. Ik reisde de hele wereld rond en groeide op in een commune in het Noord-Groningse Pieterburen.» Met gemengde gevoelens kijkt hij op die tijd terug: «De volwassenen kwamen daar zwaar gedesillusioneerd uit. Die dachten: we gaan het anders doen dan de generaties voor ons, we gaan de wereld veranderen. Dat mislukte gigantisch. De oorzaak daarvoor lag ook buiten de commune. De omgeving was bijzonder vijandig. In de commune zaten enkele buiten landers en veel mensen uit het westen (Holland en omstreken — sk). Hun alternatieve mentaliteit botste met de conservatieve Noord- Groningse. Zelf heb ik er ook van geleerd: door die vreemde positie neem je de dingen minder snel voor wat ze zijn. Denk je meer na over jezelf en je plek in de wereld.»

Sinds zijn puberteit is Lester geïnteresseerd in hiphop. Vooral de werkwijze van de producers in dat genre spreekt hem aan: «Die nemen een basgitaarloop van George Clinton, een trompetje van Dizzy Gillespie, strijkers van Brahms en een drumbeat van Pink Floyd, zetten dat over elkaar, en ze hebben een nummer.» Zijn eigen werk komt net zo tot stand: «Ik werk vanuit een complex pallet, citeer waar ik kan, typecast wat ik nodig heb. Het aangename van de hedendaagse beeldende kunst is dat je je iedere stijl kunt toe-eigenen. Wil je Jugendstil-patronen gecombineerd met decoraties van Chinees porselein? Prima. Minimale sculptuur vermengd met videokunst? Geen probleem. Mensen die dat zien hebben direct hun associaties. Daar speel ik graag mee.»

Begin jaren negentig verliet Lester het noorden om aan de St. Joost Academie van Breda audiovisueel, en aan de Brusselse Hogeschool Sint-Lukas film te studeren. Film speelt in zijn werk nog steeds een belangrijke rol. Veel van zijn installaties — waarover Lester spreekt in termen als «montage» en «sequentie» — zijn beïnvloed door technieken uit de filmkunst. Een goed voorbeeld hiervan is How to Act (1999), het werk dat hem zijn eerste solotentoonstelling bij Fons Welters opleverde. How to Act is een choreografie van licht op de soundtracks van klassieke Hollywood-films. Vijftig in het plafond bevestigde, gekleurde lampen springen aan en uit volgens een montageprogramma dat per scène verandert: «How to Act is een film in pantomime. Het draagt alle elementen van cinema in zich. Het licht, de sequenties, het geluid. Alleen de beelden ontbreken. Die maakt de toeschouwer zelf. Iedereen heeft bij dat werk andere associaties.»

Daarnaast legt de installatie de mogelijkheden van het medium film bloot. Ze toont hoe licht en geluid onze emoties sturen. Wanneer ik Lester vraag of dit soort modernistische reflecties de kern van zijn kunst vormen, reageert hij fel: «Nee. Absoluut niet. Ik maak geen eenduidig werk dat alleen begrepen kan worden door mensen die veel van kunst weten. Mijn sterkste installaties zijn extreem toegankelijk. Natuurlijk vertel ik niet altijd wat er aan de hand is. Dat hoeft ook niet. Denk aan een muziekcompositie zonder tekst. Wanneer je niet weet dat zo’n compositie over de lente gaat, kan het voor jou best over de herfst gaan. Wel zorg ik dat alles klopt. Dat een installatie goed in elkaar zit. De kijker mag daar zijn eigen beleving bij hebben. Wat ik zelf bij mijn werk voel is onbelangrijk.»

Bij de vermeende crisis in de beeldende kunst kan Lester zich weinig voorstellen: «De kunst heeft nooit een crisis gekend. Het was de kunstkritiek die zich moeilijk staande hield. Vanaf het moment dat stromingen niet na elkaar maar naast en door elkaar gingen lopen, wist zij niet meer wat ze met de kunst aanmoest. Curatoren wierpen zich op als beschermers. Zij zouden het slechte werk er wel uitfilteren. Maar dat gebeurde zelden. Met als gevolg een overschot aan oninteressante kunst.»

De toenemende macht van de curator is Lester een doorn in het oog: «Ik krijg wat van al die lukrake groepstentoonstellingen. Het wordt tijd dat curatoren weer solo tentoonstellingen gaan maken. Nu komen ze een uurtje op studiobezoek, bladeren een paar mapjes door, kiezen het werk dat goed binnen hun concept past en gaan door naar de volgende kunstenaar. Daarmee doen ze zowel de kunstenaars als het publiek te kort. Je ziet ook nooit iets nieuws op die groeps tentoonstellingen. Neem de Biënnale van Berlijn. De meeste exposanten hadden hun werk al elders getoond. Dat krijg je wanneer de organisatie je de tijd en het geld niet geeft om je in het concept te verdiepen.»

In de tentoonstellingen die Lester zelf samenstelt, krijgt de toeschouwer een sterk participerende rol, en moet zelf bepalen waarom een werk kunst is. Hetzelfde geldt voor Lesters installaties. De scheiding tussen tentoonstellingsruimte en kunstwerk is vaak dun. Soms is de ruimte zélf het kunstwerk, zoals in Murmure (2003), een witgeverfde zaal waarin Lester langs de wanden een buizenstelsel aanbracht.

Zijn installaties bouwt Lester volgens een vast stramien: «De centrale as reserveer ik voor de hoofdmaaltijd, daaromheen worden de andere kunstwerken gerangeerd. Zo gaan de objecten met elkaar in dialoog. Ze versterken elkaar of zwakken elkaar af.» Om dit effect te bereiken laat hij niets aan het toeval over: «Laatst maakte ik een installatie met een witte en een zwarte ruimte. Die ruimtes waren identiek. Alleen lijkt zwart altijd kleiner. Daarom heb ik die ruimte iets groter gemaakt. Natuurlijk is er geen mens die dat opvalt. Maar je moet het wél doen. Anders gaat het gevoel verloren.»

Ook in deze politiek bewogen tijden voelt Lester nooit de drang om sociaal geëngageerd werk te maken: «Het is niet aan de kunst om ons de ogen te openen voor de wereld om ons heen. Daarvoor hebben we de media en de wetenschap. Begrijp me goed: ik ben zelf maatschappelijk geëngageerd. En de teksten die ik schrijf zijn dat ook. Maar mijn kunst niet, die moet sacraal zijn. Ik heb een hekel aan kunst die met het vingertje zwaait.» Belangrijker vindt hij het om een dilemma te creëren: «De kijker een hapklare boodschap voeren noem ik consumptie. Hem iets geven waar hij niks van begrijpt is tijdverspilling. Ik probeer een dilemma te creëren. Ik hoop dat mijn werk vragen oproept.» Bewust maken zonder belerend te zijn? «Precies.»

En verder? «Verder wil ik de toeschouwer iets geven. Wat, dat is moeilijk te zeggen. Schoonheid. Maar ook erkenning. En troost. De mens is per definitie een eenzaam wezen. Hij wil zich begrepen voelen. Kunst kan hem dat gevoel geven. Daarom is identificatie in mijn werk heel belangrijk. Ik hoop dat de kijker zich kan herkennen in een beleving, dat hij het gevoel heeft dat hij communiceert, dat er iemand luistert en begrijpt. Als dat gebeurt, is mijn werk geslaagd.»