Troostrijke hel

Ruim een jaar geleden schreef ik over mijn eerste indrukken van de gevoelig radicale nieuwe film van Tsai Ming-liang, The River. Via een trage, maar onverzettelijke stroom - traag en onverzettelijk als de film zelf - is The River nu in ons land aangekomen. De film is inmiddels veelvuldig gelauwerd en Tsai wordt regelmatig uitgeroepen tot één van de grootste levende cineasten. Dat laatste wil ik niet tegenspreken, al vind ik dat hij zijn plaats moet kennen tussen grote geesten als Hou Hsiao-hsien, Kitano Takeshi, Alexander Sokoerov, Abbas Kiarostami, Mohsen Makhmalbaf, Manoel De Oliveira, Lars Von Trier en anderen. Geen groot gezelschap, maar toch groot genoeg om te bedenken dat Tsai zich als cineast weliswaar op grote, maar niet op eenzame hoogte bevindt.

Gelukkig maar, want het is al eenzaam genoeg in het universum van Tsai. Tsai is vergeleken met de grote Aziatische verbeelders van de droefheid van het dagelijkse leven als Ozu Yasujiro en zijn landgenoot Hou Hsiao-hsien. Vanuit mijn Berlijnse enthousiasme riep ik Tsai uit tot de Michelangelo Antonioni van onze tijd. Achteraf denk ik wel dat je moet zeggen dat Tsai goed naar Antonioni heeft gekeken en veel van hem heeft geleerd. En voor de goede orde moet je dan toch ook zeggen dat Antonioni indertijd zijn fraai gestileerde visie op de twintigste-eeuwse mens in zijn verloren zelfgeschapen omgeving toch maar mooi zelf heeft ontwikkeld. Genoeg kanttekeningen. Tsai is een groot cineast en The River is mooi, droevig en troostrijk.
The River behoort tot die bijzondere categorie kunstwerken die zowel glashelder als raadselachtig zijn; volledig te begrijpen en na te voelen, maar toch open voor zeer diverse interpretaties. Dana Linssen schreef in de NRC mooie volzinnen over The River en om het nog mooier te maken schreef ze dat de schoonheid haar inspireerde tot een positieve interpretatie van het slot. Nee, dacht ze, hoofdpersoon Hsiao-kang zal vast geen zelfmoord plegen, want aan het einde is daarvoor het licht veel te mooi. Mooi, mooi, maar misschien heeft ze toch niet goed opgelet. Strikt genomen kun je zeggen dat de film een open einde heeft omdat je Hsiao-kang niet in de blauwe leegte ziet springen, maar in de voorgaande twee uur stapelt Tsai aanwijzing op aanwijzing dat de eenzame, verwarde, aan een ondraaglijke nekpijn lijdende protagonist een voortijdig einde zal kiezen. Al ver voor het einde roept hij in de gang van een ziekenhuis dat hij dood wil. Zijn tocht langs dokters, kwakzalvers en geestuitdrijvers is dan nog lang niet ten einde. De film lijkt soms op een serieuze variant op de hilarische tocht langs alle mogelijke soorten geneeskunstenaars van Nanni Moretti in Caro Diario. Maar niet alleen is de vergeefse tocht langs de genezers van Hsiao-kang treurig in plaats van humoristisch, hij heeft ook nog meer zorgen aan zijn hoofd. Om te zeggen dat hij leeft in een kil en disfunctionerend gezin is een eufemisme. Hsiao-kang leeft met zijn ouders in een kille hel. Zijn vader zoekt in sauna’s voor de seks jongens van zijn leeftijd en zijn moeder heeft een treurige verhouding met een pornopiraat. De seksualiteit van Hsiao-kang zelf is troebel en ongearticuleerd. In het begin laat hij zich nemen door een meisje dat hij nog van school kende en tegen het einde begeeft hij zich in zo'n duistere sauna die door zijn vader wordt gefrequenteerd. Omdat de film van Tsai alleen maar realistisch lijkt en in wezen wil raken aan de grote dramatische en psychologische thema’s is het mogelijk om de waarschijnlijkheid te laten varen en een haast Grieks mythologische seksuele ontmoeting te laten plaatsvinden tussen de geplaagde zoon en de zwijgzame vader. En als Oedipus zichzelf de ogen uitsteekt, waarom zou Hsiao-kang dan niet kiezen voor het grote blauw?

  • In De Verstekeling van Ben van Lieshout probeert een Oezbeek vergeefs te wortelen in Nederland. Van Lieshout won er internationale prijzen mee, waaronder opvallend veel van oecumenische jury’s, maar dat kun je hem moeilijk aanrekenen. Binnenkort in de filmhuizen.
  • Alexei Balabanov maakte met Brat een overtuigende St. Petersburgse variant op de New York-film Taxidriver. Een jonge Afghanistan-veteraan ontpopt zich als moordmachine. In de betere bioscopen.