Toneel Troje en Congo

Trotse torens

Sarcasme over een oorlog die niet meer gestopt kan worden, cynisme over een geschiedenis die nooit meer is terug te draaien. Troje en Congo, onherbergzame locaties voor bittere oorlogen, en landschappen van twee bijzondere theaterproducties.

De groep acteurs die zich het afgelopen najaar had verzameld rond de Nederlandse regisseur Willibrord Keesen, om binnen zijn theaterformatie Keesen & Co William Shake speares Troilus en Cressida over de Trojaanse oorlog te ensceneren, werd na 11 september 2001 opeens geconfronteerd met een vreemd probleem: hoe (on)nadrukkelijk speel je de diplomatieke uitval van de Griekse politicus/ generaal Ulysses tegen de Griekse prins Hector (vierde bedrijf, vijfde scène)? In de bewerking van Keesen staat: «Toen heb ik voorspeld wat zou gebeuren/ Wat ik voorzag is nog maar halverwege/ De muren die uw stad zo trots omsluiten/ De torens die zo wulps de wolken likken/ Zij kussen eens hun eigen voet.» Het antwoord van Hector liegt er trouwens ook niet om: «Ik twijfel/ Nog staan zij daar en ik vermoed bescheiden/ Dat de val van elke steen een druppel/ Griekenbloed zal kosten. Tijd, die oude/ Rechter brengt het einde, en het einde/ Kroont.»

Gelukkig kozen Keesen en zijn acteurs ervoor het advies te volgen dat de Zwaan van Avon in een ander stuk (Hamlet) aan de beroepsgroep van toneelspelers gaf: laat je woord je gebaar volgen, en je gebaar je woord, en bulder de regels niet al te nadrukkelijk de zaal in, anders had ik mijn teksten beter aan de stadsomroeper (lees: Tony Blair, Guy Verhofstadt, Wim Kok) kunnen geven. Ulysses’ teksten over de trotse torens, die het ene moment de wolken kussen en het volgende moment hun eigen voet, schokten in de voorstelling vooral door hun onnadrukkelijke karakter.

Troilus en Cressida (1603 of 1608; dat raadsel is nooit opgelost, waarschijnlijk bestonden er twee versies) is Shakespeares bittere antwoord op Romeo and Juliet (1595), zijn andere tragedie over een onmogelijke liefde tegen de achtergrond van een oorlog. Waar in het jeugdwerk de vendetta nog een uit de hand gelopen twist tussen families is, heeft de oorlog tussen de Grieken en de Trojanen in Troilus en Cressida de regie over de liefde volledig overgenomen. De Trojaanse prins Troilus krijgt ternauwernood de kans om zijn lief Cressida één nacht te beminnen, daarna wordt ze uitgeruild naar de tegenpartij. Troilus’ broer Hector, Trojes sterkste vechterstroef, doet in het begin van het stuk nog wel een schamele poging om de oorlog te stoppen, maar stemmingmakerij en massahysterie geven hem geen schijn van kans. Hector móet de oorlog wel voortzetten om alle levens die in de loop van zeven jaar strijd al zijn geofferd alsnog een absurde zin en logica te geven. In een oorlog stappen is één ding, maar de moed bij elkaar rapen om er voortijdig weer uit te stappen, dat is razend ingewikkeld. Precies dát is wat deze voorstelling van Troilus en Cressida met een verbeten precisie tijdloos wil demonstreren, waarbij geen theatraal middel wordt geschuwd: een vervreemdende mixage van kostuums en muziek, aanstekelijk speelplezier, amusante verkleedpartijen, en bovenal de wil om het mechanisme van opportunisme te tonen.

Willibrord Keesens regie van Troilus en Cressida is onder meer zo helder omdat hij de liefdestragedie op een meedogenloze wijze ondergeschikt maakt aan het politieke spel over het wel of niet voortzetten van de (Trojaanse) oorlog. Centraal daarin staat de Ulysses-figuur van Monique Kuijpers, een briljante combinatie van kakelend mantelpak en machiavellis tisch raffinement. De kleine theaterformatie Keesen & Co heeft de moed gehad om alle zeilen bij te zetten teneinde deze onderneming te doen slagen. De relatief korte voorstellingsserie verdient zeker een ruime reprise.

Actualiteit en theater, het blijft een wankel huwelijk. Toen Brecht ooit werd gevraagd waarom hij niet méér actuele politieke stukken schreef, was zijn antwoord: «In de paar decennia waarin de elisabethaanse toneelschrijvers (onder wie Shakespeare) tot grote bloei kwamen, was de belangrijkste politieke gebeurtenis de vernietiging van een vijandelij ke, onoverwinnelijk gewaande vloot, de Spaanse Armada. Dat incident, uit 1588, komt in geen van de elisabethaanse toneelstukken voor.»

Zo is het maar net. De tijd, «die oude Rechter» (Shakespeare) en belangrijke filteraar, mag eerst zijn werk doen. Daarna kunnen de kunstenaars (waaronder de toneelschrijvers) aan de doorslaggevende gebeurtenissen van hun dagen een beslissende meerwaarde verlenen.

De filter tijd deed op een bijzondere manier zijn werk voor de Amerikaanse theatermaker Nadine Lavern en de Vlaamse acteur/regisseur Sam Bogaerts. Voor hun gezamenlijke voorstelling Lumumba-bah! kozen zij als onderwerp de gruwelijke moord uit 1961 op de eerste zwarte Afrikaanse politieke leider ooit, Patrice Lumumba. Precies één maand voor de première publiceerde een parlementaire onderzoeks commissie van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, onder stuk nummer 500312, gedateerd 16 november 2001, een venijnig rapport waarin de vloer werd aangeveegd met de mythe dat de CIA achter die moord had gezeten. In het verlengde van de onthullingen van de Vlaamse onderzoeksjournalist Ludo de Witte wordt nu officieel aangenomen dat de Belgische regering, ja zelfs het Belgische koningshuis, direct of indirect met deze politieke moord te maken had, hem in elk geval méér dan oogluikend toestond en waarschijnlijk hartelijk heeft gesteund en gestimuleerd. Zulks was ook al gesuggereerd in de speelfilm Lumumba, die in de zomer van 2001 in de Belgische en Nederlandse bioscopen was te zien.

Toen in de eerste minuten van de voorstelling Lumumba-bah! de videoschermen aan floepten, schrok ik zodanig dat ik nu niet meer precies weet wat er eerst gebeurde en wat daarna kwam. In mijn herinnering ging het zo: Sam Bogaerts, gezeten achter een tafel links vooraan op het speelvlak, begon de tekst te lezen die koning Boudewijn op 30 juni 1960 in het Paleis der Natie in de Congolese hoofdstad Leopoldstad (nu Kinshasa) uitsprak ter gelegenheid van de soevereiniteitsoverdracht. «De onafhankelijkheid van Congo is de bekroning van het werk dat door het geniale brein van Leopold II (Boudewijns grootvader) werd ontworpen. Brengt de toekomst niet in gevaar door overhaaste hervormingen en vervangt de organen die België u overdraagt niet eer gij zeker zijt dat gij het beter kunt doen.»

Op een van de videoschermen nam een soort stripfiguur-Boudewijn het van Bogaerts over. Dan, in eerste instantie weer uit de mond van Bogaerts, de scandaleuze teksten waarmee Patrice Lumumba in juni 1960 de royale feestvreugde kwam bederven, wat heet, waarmee de eerste zwarte premier ministre van het onafhankelijke Congo koning Boudewijn zo diep beledigde dat deze stante pede de eerste Sabena-vlucht terug naar Brussel wilde nemen. Lumumba: «Wie zal vergeten dat men tegen een zwarte ‘jij’ zei, niet zoals men dat tegen een vriend zegt, maar omdat het eerbare 'u’ enkel voor blanken was voorbehouden?» De wereldvreemde snotneus die de Belgische koning Boudewijn toen al was — hij stond in juni 1960 op punt van huwen met de personificatie van de wereldvreemdheid zelve, de Portugese prinses Fabiola — verdroeg deze kraakheldere anti koloniale teksten niet. Zijn militairen, verre van wereldvreemd, want haatdragend en rancuneus, slepen meteen hun messen. Hun verwoestende divide et impera-tactiek zou Patrice Lumumba binnen een half jaar letterlijk de kop kosten.

Met die teksten, met dat heen en weer schakelen tussen het tafeltje-met-microfoon-en-tekstboek-en-Sam Bogaerts, en de historische beelden op een groot videoscherm opent de productie Lumumba-bah!

De reden van mijn schrik (met de bioscoopfilm Lumumba nog op mijn netvlies) was een even simpel als voorspelbaar vooroordeel: performance legt het af tegen bewegende beelden. Dat dit vooroordeel snel sneuvelde, heeft vooral te maken met een aantal sterk werkende aspecten van deze voorstelling.

Vooreerst de rolverdeling tussen Nadine Lavern en Sam Bogaerts. Lavern, een zwarte Amerikaanse, baseert haar bijdrage op woede; de woede over het feit dat enkele blanke regeringen (waaronder in elk geval die van België en de Verenigde Staten) zonder enig teken van schaamte konden besluiten de gekozen premier van een voormalige kolonie die groter is dan Nederland, België, Frankrijk en Italië samen, te elimineren. De woede ook over het feit dat Lumumba zichzelf zand in de ogen strooide door ten onrechte te denken dat hij de macht in handen had. Lavern vraagt midden in Lumumba-bah! dan ook nijdig: «Who the fuck was in control?» Het mooie van die woede is dat ze het overgrote deel van de voorstelling niet wordt gespeeld maar gedemonstreerd. Lavern pleegt — zelfs als ze getuigend én pesterig moraliserend het publiek de retorische vragen You know why? of You know what? voorhoudt — een soort openbare sectie op het mechaniek van een lang in iemand voortwoelende razernij over onbegrijpelijke onrechtvaardigheden.

Tegenover Lavern staat Bogaerts, die glimlachend, met een relativerende, licht Bourgondische bonhomie commentaar geeft op de gebeurtenissen. Bogaerts was twaalf jaar jong toen België met het fenomeen Lumumba werd geconfronteerd. Hij kijkt niet zonder vertedering (maar ook niet zonder schaamte) terug op zijn kinderlijke reactie van toen: op straat speelde hij bijvoorbeeld met zijn vriendjes «Lumumba-tje» («negertje») — «en ik vond het nog leuk ook».

In de keelsnoerende slotscène van de tachtig minuten durende voorstelling komen de woede («hoe kan dit?») en de relativerende berusting («zie de mens») bij elkaar. Bogaerts gaat in zijn onderbroek op de grond liggen, een microfoon vlak boven zijn hoofd. Hij speelt en vertelt het laatste half uur, de laatste minuten van Patrice Lumumba. Zijn monoloog is een mix van gruwelijke feiten en een inkijk in het hoofd van een mens dat weet dat hij sterven gaat, dat weet dat iedere minuut een geleende minuut is en ieder beeld het laatste beeld.

Die laatste twintig minuten behoren tot het mooiste wat ik dit seizoen op een podium zag. Mijn schrik van de eerste minuten was ondertussen verdwenen. En ik wist weer wat ik eigenlijk al wist, maar wat iedere keer op een speelvloer heroverd moet worden voor ik mezelf er gelukzalig door kan laten omarmen: zulke van God gegeven eenvoudige maar messcherpe bezorgers van een eenvoudige maar messcherpe vertelling winnen het altijd van welk bewegend beeld dan ook!

Troilus en Cressida is nog t/m 26 januari te zien in de Schouwburg van Arnhem. Inlichtingen: 026-3512418, keesen.co@hetnet.nl; Lumumba-bah! is nog tot eind april te zien in Nederland en Vlaanderen. Informatie: www.nestheaters.nl