Je hebt schrijvers en schrijvers. Van de eerste categorie lees je wel eens een boek, de tweede categorie ben je trouw tot in den dood, om de boel meteen maar op scherp te zetten. Daarbij is het relatief makkelijk trouw blijven aan schrijvers die al lang en breed dood zijn, want voor echte verrassingen zullen zij je niet meer stellen. Even afgezien van het geval er ergens een grote hutkoffer opengaat, of een vergeten bureaulade wordt uitgegraven, en er allerlei onvermoede jeugdzondes in de vorm van verhalen, brieven of complete romans opduiken.
De ware testcase vormen toch de schrijvers die nog springlevend zijn. Zie daar maar eens onvoorwaardelijk trouw aan te blijven, terwijl ze met hun hoofd op televisie kunnen verschijnen – heel gevaarlijk –, terwijl je ze zou kunnen ontmoeten – nog gevaarlijker – en terwijl ze een nieuw boek kunnen afscheiden – het allergevaarlijkst.
Ik heb me ooit met twee Engelse schrijvers in den echt verbonden. For better and for worse, in sickness and in health, the whole fucking lot. Van de ene, Kazuo Ishiguro, vooral bekend van Remains of the Day, maar ook schepper van het dikke hypnotiserende The Unconsoled en de huiveringwekkende toekomstroman Never Let Me Go, is net een nieuwe verhalenbundel uitgekomen die me nu al twee weken ligt aan te kijken, zoveel smoezen zijn er om er niet aan te beginnen.
Angst. Nergens op gestoeld, maar gewoon. Sommige boeken vind ik zo goed dat ik ze niet uitlees. Mijn interviewaanvraag met Ishiguro, woonachtig in Londen, is gelukkig afgewezen. Hij heeft het te druk met zijn nieuwe boek, en gelijk heeft-ie.
Dan is daar nog de andere. Ik las pas zes jaar geleden voor het eerst een boek van haar en was verkocht. Het was de zomer dat iedereen The Crimson Petal and the White las van Michel Faber, duizend pagina’s dik. Ik nam ze ook tot me, maar had net die ander gelezen en alles verbleekte daarbij. Een vergelijking lag voor de hand, want beide romans spelen zich af in Londen, eind negentiende eeuw. Waar Faber, zeker in het begin, een vermoeiende constructie opwerpt met de verteller, alsof de schrijver zelf ook moeite heeft vervlogen tijden op te roepen, dompelt mijn schrijfster de lezer pardoes onder in Victoriaans Londen. Het is exemplarisch voor de beide vertelstijlen: Faber levert opzichtig maakwerk, met weliswaar opmerkelijke passages over de omgang met extremiteiten, maar een gebrekkig in elkaar gezet hoofdpersonage wier lot je uiteindelijk worst zal wezen, terwijl Sarah Waters, want over haar heb ik het, in Fingersmith (Vingervlug) de lezer van z’n stuk brengt met een ouderwets leesboek dat idioot vernuftig in elkaar zit. Zelfs zit er een soort les in, een echte eye-opener die mij nooit meer helemaal heeft verlaten, en die in allerlei varianten ook in haar andere romans opduikt. Op ’t gevaar af iets om zeep te brengen door het nu in een paar woorden samen te vatten: je ziet altijd alleen maar wat je verwacht te zien. En de andere kant van de medaille is dus: je ziet maar een heel beperkt deel van wat er gaande is. Bij Waters draait het altijd, ook in haar debuutroman Tipping the Velvet (Fluwelen begeerte) en het een jaar later verschenen Affinity, om gewiekste, door de wol geverfde types, versus naïeve romantici die overal met open ogen inlopen. Hoe dan ook figuren die denken de regisseur van hun eigen leven te zijn, maar uiteindelijk slechts pionnen blijken in een onbestuurbaar programma. Een nooit met zoveel woorden beleden waarheid, maar altijd impliciet verbeeld dankzij een groot verteltechnisch talent.
Nu het moeilijke nieuws. Drie jaar geleden, bij het verschijnen van The Night Watch (De nachtwacht), een ander soort boek dan haar vorige, maar onverminderd indrukwekkend, was Waters in Amsterdam, en durfde ik gebruik te maken van de mogelijkheid om in een klein gezelschap met haar de avond door te brengen. Gelukkig, want ze was precies wat je hoopt dat een geliefd schrijver is: beleefd en terughoudend, en een wereld aan verwachtingen intact latend. Ze vertelde een beetje zuchtend dat ze bezig was met een spookverhaal, en dat ze zich afvroeg of het haar zou lukken om zoiets geloofwaardig op papier te krijgen. Nu is het dan zo ver. In juni verschijnt The Little Stranger, waar zozeer op gewacht wordt dat gelijktijdig de Nederlandse vertaling uitkomt. Ik lees het Engelse vooruitexemplaar, aanvankelijk met verwondering, inmiddels met stijgende wanhoop. Het is niet eens het spooky element, dat overigens ook niet echt spooky wil worden. Het zijn de hoofdpersonen, het is de verhaallijn, de context, de vertelstijl, de compositie… Alles is mat, kleurloos, vlak. Ik ben over de helft en heb het al een paar dagen niet meer opgepakt. Er zijn nu twee mogelijkheden: a. ze heeft een slecht boek geschreven – inderdaad, dit is geen mogelijkheid; b. ze speelt een ongekend gewiekst spel met de lezer, die met zijn beperkte visie op de werkelijkheid dénkt dat hij een vervelend boek aan het lezen is. Wordt vervolgd, hoop ik.