Over het schrijven van essays, toen en nu

Trring!

Van specialisten tot coryfeeën, tot geëngageerde mannen, tot meanderende vrouwen, tot de buitenstaander – het essay blijft zich ontwikkelen, het is het meest grenzeloze genre. En bovendien ‘een sociologie van de Nederlanders in een notendop’.

Trofee van de Jan Hanlo Essayprijs 2013 door Veselina Popova, Rietveld Academie, uitgereikt aan Marja Pruis © Jean van Lingen

1 Ik denk dat iedereen er zelf achter moet komen wat schrijven is. Je kunt iemand regels en tips geven, maar zolang je zelf niet al schrijvende de noodzaak voelt om iets onder woorden te brengen, een alternatief te zoeken, een oplossing voor een probleem te vinden, zullen de regels abstract blijven en in feite niet toepasbaar. Ik denk dit natuurlijk omdat terwijl ik dit schrijf, mijn vingers jeuken om een andere schrijver, die net een stuk naar mij stuurde, te vertellen dat ze niet bij iedere gedachtesprong letterlijk hoeft te schrijven ‘ik denk aan…’, of – erger nog – ‘dit doet me denken aan…’. Zet de dingen maar naast elkaar zonder telkens expliciet een bruggetje te maken. Laat de lezer het genoegen de onverwachte verbinding te leggen die jij onder je tekst hebt aangebracht door zaken samen te brengen. Zaken ja. Kwesties.

2 Schrijvers, of laat ik zeggen: mensen die zich met de letteren bezighouden, kijken liever achter zich dan om zich heen. Of misschien lijkt het zo, omdat altijd alles gisteren is gebeurd, en omdat alleen wat bestaat al zijn waarde heeft kunnen bewijzen. In zijn essay Schrijfpedaal geeft Rudy Kousbroek een korte geschiedenis van de schrijfmachine, ondertussen treurend dat schrijfmachines niet meer zijn uitgerust met pianotoetsen zoals ze dat kennelijk halverwege de negentiende eeuw waren. ‘Een pianoklavier is niet alleen veel mooier, maar er kunnen ook minder makkelijk verkeerde of dubbele aanslagen mee worden gemaakt’, verzucht hij. Dat laatste is een opzettelijke toevoeging van mijn hand, bedoeld om Kousbroek met een enkel niet-neutraal woord te karakteriseren/brandmerken als een nostalgicus. Bovendien kan ik me zo het citaat toe-eigenen, en deel uit doen maken van mijn lopende tekst. Zo zal ik de verzuchting die hij erna slaakt om dezelfde reden niet citeren maar parafraseren. Was het al jammer van de teloorgang van die pianotoetsen, het toetsenbord dat deel uitmaakt van de computer noemt Kousbroek het meest abjecte voorwerp van onze tijd. Waarom? Omdat bij de minste aanraking de verkeerde letters je al om de oren vliegen. Fouten die je dan weer met behulp van een speciale spellingscontrole eruit moet zien te krijgen.

Kousbroek schreef dit in 2003, hij zal 73 of 74 zijn geweest. Zijn vingers waren gevormd naar de logge typemachine, het zware geval met de toetsen die je niet beroerde, maar die je stevig moest indrukken zo niet naar beneden moest rammen, waardoor je eigen schrijfdrift zo lekker leek te resoneren met dat gehamer en getik, afgetopt door het geluid dat de hendel maakte die je naar je toe trok of een klap gaf als je aan het einde van de regel was gekomen: trring!

Ik beken, ik ben ook een nostalgicus. Ik was gek op mijn typemachine, een groot metalen geval dat mijn vader van zijn kantoor voor me had meegenomen en waarmee ik bijna mijn hele studietijd deed. Een afdankertje, met een grijze plastic stofkap waarmee ik het ding voor het slapen gaan afdekte, en vervolgens op de stoel zette waarmee ik mijn slaapkamerdeur barricadeerde. Het was het zwaarste object dat ik in huis had, niets of niemand zou het nog lukken om de deur zomaar aan de andere kant open te duwen.

3 Ik herinner me een zin uit Kousbroeks De aaibaarheidsfactor, iets grappigs over de absurde vraag of je je kat al dan niet toelaat op je slaapkamer. Absurd in zijn ogen, want waarom zou je jezelf ooit dat genoegen ontzeggen? Ik kan het boekje niet terugvinden in mijn boekenkast, waarschijnlijk omdat de zachte kaft zozeer is aangevreten door mijn katten dat ik het uit het zicht heb opgeborgen. Maar in zijn laatst verschenen essaybundel Medereizigers: Over de liefde tussen mensen en dieren (2009) zegt hij er ook iets over. ‘Wie hoopt dat een kat eenmaal in of op zijn bed zal slapen’, schrijft hij, ‘doet er goed aan zich er degelijk op voor te bereiden.’

Bij mij, in de tijd dat ik nog vurig de pedalen van die grote typemachine aan het indrukken was, was er iets anders aan de hand. Het tegenovergestelde in feite. Iedere avond was ik me er degelijk op aan het voorbereiden mijn beide katten uit mijn slaapkamer weg te houden. Het begon met de stoel tegen de deur plaatsen, en daar een steeds hogere stapel boeken op leggen. Nacht na nacht leken ze sterker te worden, mijn beesten, gestimuleerd door het feit dat de deur niet in het slot kon vallen en telkens iets leek te wijken. Ik zag het voor me, luisterend in mijn bed, hoe ze zich eerst omstebeurt en erna als op woordloze afspraak tegelijk tegen de deur aan lieten vallen als de leden van een knokploeg. Tot ik op het idee kwam de loodzware typemachine op de stoel te plaatsen, iedere avond weer. ‘Mensen die geen poes in de slaapkamer toelaten weten niet hoezeer ze zichzelf te kort doen.’

Denk ik aan Kousbroek, dan denk ik aan aaibaarheid. Aan katten. Nooit over je kat schrijven, luidt een berucht schrijversadvies. Wat werd Kousbroek vergeven, en andere schrijvers niet?

‘De vergelijking van de essayschrijver met een spinnende kat is niet vergezocht’

4 ‘Ik vind zijn dierengedichtjes leuk’, schreef Jan Hanlo in een brief aan Simon Vinkenoog over diens kompaan Kousbroek. ‘Als het niet leuk is kan ik het niet pruimen, dat is mijn beperktheid.’

5 In 2005 ontving Rudy Kousbroek de Jan Hanlo Prijs voor Opgespoorde wonderen, een bij uitstek leuk boek. Praatjes bij plaatjes, zou een oneerbiedige omschrijving kunnen zijn. Het was de vierde keer dat de prijs werd uitgereikt. In het juryrapport wordt Kousbroek een ‘essayistische tovenaar’ genoemd, die zich voor de hier verzamelde stukken liet leiden door foto’s, soms door hem zelf gemaakt maar over het algemeen oudere, onbekende foto’s. Zelf noemde hij deze manier van werken fotosynthese. Grappig genoeg roemt de jury Kousbroeks melancholieke talent voor het onherroepelijk voorbije, maar maakt er ook gewag van dat die melancholie soms wat dik wordt aangezet. Geregeld raakt de auteur ‘overspoeld’, ‘bevangen’ of ‘overmand’ – het wordt hem vergeven onder het aanhalen van een uitspraak van Oscar Wilde: ‘Waar geen overdrijving is, daar is geen liefde, en waar geen liefde is, daar is ook geen begrip.’

6 De Jan Hanlo Essayprijs werd in 1999 in het leven geroepen om een noodlijdend genre een flinke oppepper te geven, zo valt te lezen in het eerste juryrapport. Het doel was een genre te stimuleren waar weinig, te weinig, aandacht voor was, en waarvoor nauwelijks prijzen werden uitgereikt. In eerste instantie dacht men de essaykunst het meest effectief te kunnen bevorderen door een prijs uit te reiken. Essayisten in spe werden uitgenodigd iets te schrijven rond een specifiek thema, en deze eerste keer had men expres een tamelijk abstract thema gekozen: de relatie tussen woord en beeld. Kennelijk was men bang dat onderschat zou worden wat het precies was, het essay. Vooral een ‘grote schare autobiografische schrijvers’ moest worden ontmoedigd, oftewel types die dachten dat elke tekst die geen fictie genoemd kon worden automatisch op het predikaat essay kon bogen.

Dit waren nog eens tijden: ‘Het thema van deze prijsvraag moest potentiële instuurders eerder afschrikken dan aantrekken vonden we.’ De hoop was gericht op persoonlijke, min of meer erudiete verhandelingen, waarin analytisch werd nagedacht en helder geformuleerd. En godzijdank, aldus deze jury, er kwamen geen inzendingen binnen over wat het betekende om op te groeien in een nieuwbouwwijk, of verhandelingen over jaloezie tussen moeder en dochter.

Joke Hermsen won deze eerste Jan Hanlo Essayprijs, met een essay over de aantrekkingskracht van de (ge)weldadige kunst van Armando en Marlene Dumas. De keer erop dat de prijs werd uitgereikt, was gekozen voor de tweedeling die nu nog steeds bestaat: de grote prijs voor het beste essayboek of bundeling, en de kleine prijs voor een speciaal voor de gelegenheid geschreven essay, rond een specifiek thema en anoniem te beoordelen. In het juryrapport werd benadrukt dat je in het ware essay de schrijver ziet denken: er is geen aanleiding van buiten, er is geen deadline, het ontstaat helemaal uit het niets van de solitaire aandrift.

De winnaar van de Jan Hanlo Essayprijs Groot was toen, in 2001 dus, Tijs Goldschmidt met zijn boek Oversprongen. Hij imponeerde de jury door over zaken als biologie, antropologie en ethologie te schrijven als iemand die verstand van zaken had, maar toch ook oog voor de poëzie van feiten had.

7 Oek de Jong vertelde me in een interview dat hij weliswaar zonder veel problemen op het toetsenbord van de computer werkte, maar dat hij zich aanwende om zijn beeldscherm op zwart te houden tijdens het schrijven. Het zou de enige manier zijn om het denken levendig te houden, de geest hongerig, en niet te snel in zelftevredenheid achterover te leunen. Meteen al een getypte tekst voor je zien, in een perfecte opmaak, zou je in de waan kunnen brengen dat je al een gave tekst onder handen hebt, of wie weet, bijna een boek klaar hebt.

Het essay is ‘iets rechtlijnigs (…) Iets van, god­bewaarme, een opinie’

Nu ik dit zelf neertyp, ben ik vooral blij dat ik op het scherm letters zie verschijnen die zich gestaag uit het niets aaneenrijgen, en niet naar het zwart waarin ik mijn solitaire, fronsende hoofd weerspiegeld zou zien. Het juryrapport van 2001 opende met een lofzang op het werken aan een essay: ‘Het is iets waarmee de schrijver niet alleen de lezer, maar ook zichzelf een groot genoegen doet. Het is pure zelfverwennerij. De vergelijking van de essayschrijver met een spinnende kat is niet vergezocht.’ Maar als een kat hevige stress ervaart spint hij ook, harder nog.

8 Eind vorig jaar verscheen De wereld in jezelf, een bloemlezing van de Nederlandse 21ste-eeuwse essayistiek, gemaakt door Nina Polak en Joost de Vries. In hun inleiding schetsen ze een tamelijk essayvijandig of -onverschillig klimaat aan de hand van uitspraken van W.F. Hermans, Hugo Brandt Corstius, H.J.A. Hofland, die allemaal het ‘esseej’ maar een beetje gewichtigdoenerij vonden. Zelfs toen Gerrit Komrij in 1993 de P.C. Hooftprijs voor essayistiek ontving, greep hij de gelegenheid aan om het Nederlandse essay belachelijk te maken door het te karakteriseren als ‘iets rechtlijnigs, iets van hou-me-vast-ik-heb-een-mening (…) Iets van, godbewaarme, een opinie.’

Het maakt het des te meer voorstelbaar dat eind jaren negentig een prestigieuze essayprijs in het leven werd geroepen, op initiatief van Hans Renders en BarBara Hanlo, respectievelijk biograaf en achternicht van Jan Hanlo. De naamgever van de prijs zegt meteen al iets over de ongrijpbaarheid van het genre. Jan Hanlo is immers bekend als dichter, niet als essayist, maar hij was ook een fervent briefschrijver. Zijn hoogstpersoonlijke mengeling van ernst, eruditie en speelsheid, de eigenzinnige manier waarop hij het hele palet van kunst, wetenschap en geloof tegemoet trad, maakt hem op het tweede gezicht met recht een inspiratiebron voor nieuwe generaties essayisten. In de achtereenvolgende juryrapporten wordt dat laveren tussen persoonlijk en gewichtig, associatief en erudiet, telkens weer benoemd. Een ‘echt’ essay moet weliswaar persoonlijk zijn, sterk geleid door eigen voor- en afkeuren, ergernissen en preoccupaties, maar níet samenvallen met de ‘huilerige’ traditie van het autobiografische, géén ‘column-achtig’ stukje zijn.

9 In 2015 constateert de jury van de Jan Hanlo Essayprijs verheugd dat het essay springlevend is, en dat ook nogal wat jonge schrijvers zich aan het genre wagen. Er zijn literaire en meer politieke essays, er zijn geëngageerde pogingen de tijdgeest te duiden, variërend van beschouwingen over ironie tot stukken over identiteit en de invloed van technologie op het dagelijks bestaan. Ook zijn er experimenten met nieuwe essayistische vormen; de grenzen tussen literair verhaal en essay, tussen memoir en essay en tussen biografie en essay zijn niet altijd zo messcherp te trekken. De winnaar van 2015, Arjen van Veelen, is wat dat betreft exemplarisch. In En hier een plaatje van een kat bedrijft hij lichtvoetige cultuurkritiek in de traditie van Roland Barthes, aldus het juryrapport. Zijn beschrijvingen van hedendaagse mythes gaan uit van concrete casussen, maar hij is ook altijd persoonlijk, gaat de confrontatie aan met zichzelf en de absurditeiten van het moderne leven. Hij drinkt energy-troep, koopt een shirt dat belooft zijn buikje te doen verdwijnen.

Ik betrap mezelf erop dat ik me afvraag of deze bundeling in 2001 ook een kans had gemaakt, net zoals ik me afvraag of mijn eigen Kus me, straf me, prijswinnaar in 2013, de jury een decennium eerder in gunstige zin was opgevallen. Of toen niet te zeer de huiver voor het kleine autobiografische overheerste, en men meer op zoek was naar wijsgerigheid, naar die ene persoon die de wereld kon uitleggen. Tot ik me opeens dit realiseer: de essays uit En hier een plaatje van een kat en Kus me, straf me hadden ook niet geschreven kunnen worden in 2001. We waren toen nog niet zo ver, ‘we’ ja, u en Arjen en ik.

10 Gevraagd naar het boek dat voor hem levensbepalend is, antwoordt sterrenkundige Vincent Icke in de Volkskrant (in een serie interviews van Focke Obbema over de zin van het leven): Rudy Kousbroek, Het avondrood der magiërs. ‘Hij heeft ongeveer alles wat ik in een schrijver bewonder’, licht hij toe. ‘Meesterlijk taalgebruik, grote onderwerpen, kritisch vermogen, intelligentie, begrip, geleerdheid, logica, relativiteit, humor.’ Het is nog niet klaar. ‘En heel veel moed, ten overstaan van grote onderwerpen, van anderen en vooral van zichzelf. Mijn ontzag voor zijn enorme oeuvre is des te groter omdat hij zichzelf eigenlijk nooit herhaalt.’

Ik denk dat iedereen van Kousbroek houdt. Maar ik denk ook dat je hem op een bepaald moment in je leven moet zijn gaan lezen om hem de status van ‘levensbepalend’ te willen toekennen. Laat ik het zo zeggen: in mijn adolescente jaren waren de Anathema’s van Kousbroek voor mij een openbaring, richtinggevend. Hij was de bêta met het alfa-hart, iemand die het leven en de wereld aan me kon uitleggen en toch ook nog vaag durfde te zijn. Die zich in één en dezelfde adem kon afvragen of wiskundige inzichten uitvindingen of ontdekkingen waren en of je om een vis kon treuren. Later ging ik hem bewonderen om zijn vrouwenkeuze. Ethel Portnoy! Sarah Hart! Nog weer later vroeg ik me af waarom zij beiden, Ethel Portnoy voorop, niet gewoon wat meer gewaardeerd werden om wat ze schreven. Of Kousbroek zijn vrouwen niet had opgegeten, al moet je hierbij natuurlijk altijd bedenken dat die vrouwen zich misschien wel graag líeten opeten. En dat het ook de tijd was.

Rudy Kousbroek kon het leven en de wereld uitleggen en durfde toch ook nog vaag te zijn

In diezelfde Volkskrant stond een paar weken later een foto afgedrukt uit het archief van fotograaf Eddy Posthuma de Boer, begeleid door een column van zijn dochter Eva Posthuma de Boer. Dit groepsportret uit 1976 vertelde zichzelf: de Nederlandse schrijvers van uitgeverij De Bezige Bij geformeerd als een voetbalploeg, drie rijen dik. ‘Wat valt je op?’ vroeg ik aan een collega/leeftijdgenoot, de krantenfoto onder zijn neus duwend. Prompt begon hij namen op te noemen, met z’n wijsvinger langs de rijen gaand: Simon Carmiggelt, Tim Krabbé, Ischa Meijer, Rudy Kousbroek…

‘Maar wat valt je óp!?’

‘O ja’, klonk het gedresseerd. ‘Geen vrouwen.’

11 In hun inleiding bij De wereld in jezelf constateren Polak en De Vries dat het essay het laatste decennium onmiskenbaar veranderd is: het is persoonlijker geworden, zij het minder speels, meer op zoek naar oprechtheid. Wat het essay ís, wat vorm betreft, lijkt nog meer opgerekt. In hun bloemlezing nemen ze teksten op die veel weg hebben van een verhaal, of die de vorm van een brief hebben, opsommingen, maar ook een satirisch stukje dat Peter Buurman voor De Speld schreef. ‘Het is literair’, verantwoorden ze deze keuze, ‘poëtisch, en het maakt een vlijmscherp punt over de hyperigheid van de media.’ De Nederlandse literatuur, ooit verweten nogal op het eigen binnenhuisje te zijn gericht, laat zich volgens de bloemlezers steeds minder makkelijk afbakenen, wat je nergens zo goed ziet als in ‘het meest grenzeloze genre’.

Kijken we naar de achtereenvolgende winnaars van de Jan Hanlo Essayprijs Groot, dan denk ik het wel te kunnen zien, die verschuiving van binnen naar buiten, van formeel naar ‘ik’, van feiten naar gewaarwordingen. Zelfs komt er voorzichtig wat diversiteit in beeld. Het begon in 2001 en 2003 met de specialisten, Tijs Goldschmidt, Douwe Draaisma, dan de coryfee Kousbroek, hierna de geëngageerde mannen, Roel Bentz van den Berg en David Van Reybrouck, vervolgens de meanderende vrouwen, Joke Hermsen en ondergetekende, dan de vrije denker Arjen van Veelen en tot slot, twee jaar geleden, de blik van de buitenstaander in Winterse buien of ben ik wel geïntegreerd genoeg? van Sana Valiulina. ‘Het essay is een sociologie van de Nederlanders in een notendop’, schreef de jury bij die gelegenheid.

12 We schrijven 2019, het jaar waarin voor de tiende keer de Jan Hanlo Essayprijs Groot uitgereikt zal worden. Het essay is in de laatste twee decennia zozeer in zwang geraakt dat er ook weer hartstochtelijk over gediscussieerd wordt. Was Rudy Kousbroek niet toch gewoon interessanter, om de kwalificatie ‘beter’ maar even te vermijden?

Naar aanleiding van de verschijning van De wereld in jezelf rees weer eens de vraag naar de legitimiteit van het ‘ik’ in de huidige essayistiek. Door het sterk subjectieve karakter van zijn tekst zou de schrijver nooit boven zichzelf uitstijgen, maar in het eigen kringetje blijven ronddraaien zonder tot scherpzinnige inzichten te komen. Hoe lichtvoetig ook de essays waren van Rudy Kousbroek, Karel van het Reve, Andreas Burnier of K.L. Poll, aldus Carel Peeters in een bespreking in Vrij Nederland, ze waren geïnformeerder, intellectueler, kritischer, polemischer, filosofischer. Mag je alles wel essay noemen, zo vraagt hij zich af. Hij geeft voorbeelden van stukken die volgens hem gewoon reportages zijn, of kleine studies, zoektochten. In elk van die stukken mist hij het verdiepende van het waarlijke essay, het oplichtende inzicht.

Grappig genoeg voeren andere criticasters zijn negatieve voorbeelden juist op als staaltjes moderne essayistiek. Neerlandicus Sven Vitse heeft het over een ‘snelgroeiend genderkritisch en postkoloniaal bewustzijn’ in het essay dat Peeters hekelt als een al te oppervlakkig reisverhaal, NRC-recensent Sebastiaan Kort loopt warm voor de rijke narratieve technieken in het essay dat Peeters afserveert als een ‘HP-reportage’, waarmee hij denk ik verwijst naar de Haagse Post toen dat nog een blad met reportages was.

13 Schrijfpedaal, het hierboven aangehaalde essay van Kousbroek, is opgenomen in Opgespoorde wonderen waarvoor hij de Jan Hanlo Essayprijs Groot kreeg in 2005. Ik las het echter in een nieuwe bloemlezing van zijn werk, Wat nooit eerder gebeurd is: De mooiste essays over kunst en techniek, samengesteld door Maarten Asscher, destijds jurylid van de prijs. Zijn inleiding ademt het heimwee dat ook bij Carel Peeters voelbaar is, en in feite ook bij Vincent Icke. Kousbroek wordt door Asscher genoemd in een rijtje met Karel van het Reve en Renate Rubinstein, ‘een van die naoorlogse Nederlandse cultuurcritici en columnisten van wie je nog vaak hoort verzuchten dat hun visie op allerlei hedendaagse verschijnselen node wordt gemist’.

Het is een paradoxaal verlangen dat hier wordt verwoord. Hedendaagse verschijnselen kunnen alleen door hedendaagse critici, commentaren, columnisten tegemoet getreden worden. Iedere epoque vraagt zijn eigen essayistiek. Wie denkt dat het diepgravendste al geschreven is, zegt daarmee vooral iets over zijn eigen ontvankelijkheid, en zijn vermogen zich te verhouden tot wat er vandaag verschijnt. De beste essayist leeft in het hier en nu.


Marja Pruis kreeg de Jan Hanlo Essayprijs Groot in 2013 voor Kus me, straf me: Over lezen en schrijven, liefde en verraad (2011). Met Genoeg nu over mij: Confessies van een ervaren schamer (2017) is ze dit jaar opnieuw genomineerd