True Blue

Glenn Ford * 1 mei 1916

Op zondag 29 april 1945 schieten verkenners van de Amerikaanse Regenboogdivisie het slot op de poort van concentratiekamp Dachau kapot. De eerste die naar binnen gaat, is de 29-jarige acteur Glenn Ford, die binnen een jaar zal schitteren als onvermurwbare mannelijke hoofdrolspeler in Gilda (1946).

Zoals het een ster betaamt, doet sergeant Ford zijn plicht voor het vaderland. Hij is als marinier gedetacheerd bij de Fotografische Eenheid van de inlichtingendienst oss en zijn opnamen van de uitgemergelde gevangenen achter prikkeldraad, de gaskamers en de lijkenheuvels bij de crematoria zullen als bewijs-materiaal op het Tribunaal van Neurenberg dienen.

In 1943 had Ford reeds deelgenomen aan de slag om Midway. Vervolgens had hij achter de Duitse linies in Frankrijk samengewerkt met het verzet en joodse onderduikers gered. In juni 1944 behoorde hij tot de eerste troepen die het Normandische strand bestormden. De vijandelijke granaten en mitrailleurkogels trotserend nestelde Ford zich in de duinen om voor de oss de opeenvolgende Amerikaanse aanvalsgolven te filmen. Voor zijn aandeel in de bevrijding van Frankrijk ontving hij in 1992 het Légion d’honneur. Dat hij ook een hart had, bewees hij na de Duitse capitulatie, toen hij nabij het dorp Fernwald twaalfduizend joodse vluchtelingen ontdekte. Met list en bluf ontfutselde Ford zijn meerderen dagelijks een vrachtauto met voedsel en medicijnen, reed die naar het kamp en redde duizenden joodse levens. Hij kreeg er in 1985 de Liberator’s Award van het Simon -Wiesenthal Center in Los Angeles voor.

Het bovenstaande, ontleend aan boeken, tijdschriften, filmlexicons en webartikelen over Glenn Ford, is allemaal onwaar. Het Simon Wiesenthal Center verleent geen onderscheiding van die naam, het Légion is aan Fransen voorbehouden en het Centrum voor Hedendaagse Archieven te Fontainebleau dat onderscheidingen aan buitenlanders bijhoudt, heeft geen mapje over Ford. Zijn zoon Peter, een conservatieve radiopresentator die een pretentieuze website over zijn vader beheert en al tien jaar aan diens ‘definitieve biografie’ werkt, erkent dat er ‘veel onzin’ over zijn vaders oorlogsjaren is geschreven maar wil niet in details treden. Navraag bij het Naval Historical Center in Washington leert echter dat de man die Gilda ‘temde’, de harde jongen uit Fritz Langs The Big Heat (1953) en The Money Trap (1965), stugge tegenspeler van de opkomende Sidney Poitier in Blackboard Jungle (1955) en held in een lange serie westerns, thrillers, oorlogsfilms en tv-series helemaal geen oorlogsverleden hád.

Volgens kapitein ter zee b.d. James Wise jr., de auteur van Stars in the Corps: Movie Actors in the United States Marines (1999), werd Ford na ‘Pearl Harbour’ aanvankelijk reservist bij de kustwacht. Terwijl hij af en toe een vuurtorendienstje draaide, kon hij gewoon doorwerken als acteur. Hij vocht niet in de Pacific maar speelde soldaat, naast Edward G. Robinson, in -Destroyer (1943) van William Seiter. Eind 1943 tekende Ford pas bij als marinier. Na zijn opleiding verzorgde hij het radioprogramma voor mariniers Halls of Montezuma vanuit San Diego, Californië, en was binnen een jaar alweer afgezwaaid – eervol, dat wel, maar zonder een voet buiten de VS te hebben gezet.

Het _‘true blue’-_imago van Glenn Ford, van origine Democraat maar sinds 1980 aanhanger van Ronald Reagan, komt de Republikeinen goed uit. Dus onderneemt zoon Peter niets tegen de misplaatste heldenverhalen. Ze werden na Fords dood op 30 augustus allemaal weer opgelepeld, ook door gezaghebbende kranten en tv-zenders. En zelfs in een persverklaring van Larry Craig, voorzitter van de senaatscommissie voor veteranenzaken, die graag weer eens de woorden aanhaalde die Ford in 1980 sprak ter ondersteuning van Reagan en die Craig voor de ‘oorlog tegen het terrorisme’ nog steeds relevant vindt: ‘Laten we nooit vergeten dat we sterk moeten zijn om vrij te kunnen zijn. Dat is een belangrijke les die ik heb geleerd in mijn marine-carrière en in de Tweede Wereldoorlog. Dit is de tijd voor elke Amerikaan om trots te zijn.’

Zoals zo veel Amerikaanse filmsterren is Glenn Ford vergroeid met zijn eigen mythe: een onontwarbare kluwen van publieksverwachtingen, Hollywood-roddels en de mimetische verleiding van zijn stereotiepe filmpersonages. Een reconstructie van de persoon Ford vereist een soort archeologie: een systematische afgraving van historische woonlagen van tinseltown waarbij alle voorwerpen die boven komen – celluloid-rollen, scripts, memorabilia, foto’s, roddel-columns en autobiografieën – hun verhaal pas prijsgeven nadat ze chronologisch geordend en terughoudend geduid zijn.

Veel van de genoemde misverstanden zijn van filmische oorsprong. Het was niet Glenn Ford die de Slag om Midway meemaakte, maar John Ford, de regisseur die er het beroemde filmpje van de luchtgevechten met Henry Fonda’s donkerbruine voice-over (‘Behind every cloud, there may be an enemy’) schoot. Glenn Ford speelde enkel de rol van schout bij nacht Raymond Spruance in de film Midway (1973). Dezelfde John Ford was er ook weer bij op het Normandische strand, terwijl Glenn in San Diego Don’t Sit under the Apple Tree draaide. Glenn landde pas als parachutist achter de Duitse linies in Frankrijk in The Green Glove, een film gris uit 1952 waarin hij als een Amerikaanse Mefisto uit een toefje rook van een inslaande granaat te voorschijn springt. Het verhaal over zijn detachering bij de Résistance ten slotte is te herleiden tot The Four Horsemen of the Apocalypse (1962) van Vincente Minnelli, waarin Ford een latin lover speelt die in de oorlogsjaren in Parijs de kant van het verzet kiest.

Toch bevat die film de sleutel tot begrip van zijn filmcarrière. Ford tracht hierin -tevergeefs een ‘Valentino’ te doen door niet alleen zijn tegenspeelster, maar ook de regisseur en de rest van de cast om zijn vinger te winden. ‘Het gerucht gaat’, schreef de gevreesde Bosley Crowther in The New York Times, ‘dat de mgm-bestuurder die meende dat Ford in Rudolph Valentino’s voetsporen kon treden, gearresteerd zou zijn indien hij toerekeningsvatbaar was geweest.’ Crowther was de eerste die doorhad wat er aan Glenn Ford mankeerde. Wel-beschouwd acteerde hij niet, hij werd geacteerd. In plaats van de geboren pan-Amerikaanse held was Ford een kwetsbare, om niet te zeggen karakterloze figuur wiens robuuste maar vriendelijke trekken pas karakter kregen door script, belichting en de hand van een vaardige regisseur. Hij deed bijna geen van zijn stunts zelf. ‘Een acteur zou wel heel dwaas zijn als hij iets deed wat de film in gevaar bracht’, zei hij in een interview. Zelfs op een paard rijden deed hij het liefst met hulp van stuntmannen: ‘Die zorgen dat het er zoveel beter uitziet dan in het echt.’



De man achter de neurotische protagonist in Gilda, achter de hard-boiled detectives en de kundige, maar net iets te ambachtelijke cowboy-rollen lijkt er op een of andere manier nooit helemaal bij te zijn. Zelfs in een lopende-bandwestern als The Man from the Alamo (1953) gaat hij zomaar onderuit. Budd Boet-ticher laat hem opsluiten in één cel met een lid van de bende die zijn vrouw heeft vermoord, door Chill Wills magnifiek neergezet als een geile bruut die de hele ruimte vult. Ford weet zich letterlijk geen houding te geven. Hij kan Wills niet haten, niet bang voor hem zijn. Hij snuift, grijnslacht, gooit met een woest gebaar zijn hoed op zijn brits, maar er helpt geen lieve moedertje aan: hij wordt binnen twee minuten weggespeeld uit zijn eigen film. In The Big Heat, maar ook in sociale drama’s als The Blackboard Jungle en Trial (1955) doet Ford zijn voordeel met een secure regie en goede tegenspelers. Dat wil -zeggen: hij blijft overeind.

Was de zachtaardige, egocentrische Gwyllyn Samuel Newton Ford (zoon van een Canadese spoorwegdirecteur) er buiten de set eigenlijk wél bij? Hij wekte niet de indruk, zelfs niet toen hij eens echt onder vuur lag. Dat gebeurde toen hij in 1967 een maand als reserve-luitenant diende in Vietnam, waar hij opdracht kreeg te zoeken naar locaties voor een militaire instructiefilm. Ford kon goed schieten (als cowboy ‘trok’ hij in zeven tiende van een seconde) maar in de Mekong Delta was hij zelf schietschijf. Omdat de Vietnamezen geen prominente Amerikaan in handen mochten krijgen, hielden zijn maten hem uit de wind toen hun helikopter door sluipschutters werd neergehaald: ‘Pas op, Luit, dat zijn echte kogels!’ Er is een foto waarop de commandant een hoofdwond laat hechten van een kogel die bedoeld was voor Ford, die er schaapachtig bij staat te grijnzen. Net echt, die oorlog.

Zelfs door zijn vier opeenvolgende vrouwen werd hij geleefd. Ford kon geen ja en geen nee zeggen, kon niet verleiden maar ook geen verleiding weerstaan. Zijn eerste vrouw, de tapdanseres Elaine Powell, scheidde in 1959 van hem vanwege zijn bodemloze saaiheid. Hij kwam pas uit zijn ‘neerslachtige buien’ los wanneer hij weer een western kon opnemen. De western was een mannenwereld waarin Ford zich thuis voelde. ‘Voor de rollen hoef ik niets te doen’, zei hij, ‘behalve mezelf zijn.’ Dat hij daarin in het dagelijks leven niet slaagde, was de oorzaak van de grootste tragedie van zijn leven: Glenn Ford wist zijn grote liefde Rita Hayworth nimmer aan zich te binden. Hij miste de juiste regie.

Ford en Hayworth waren in zekere zin onafscheidelijk sinds de opnamen voor Gilda, toen Columbia-baas Harry Cohn microfoons in hun kleedkamers ophing en ontdekte dat ze tussen de shots door de liefde bedreven. Maar van trouwen kwam het niet. John en Rita woonden jaren naast elkaar als buren (zij verkocht hem in 1960 het belendende perceel van haar huis) en konden uren over de heg hangen om roddels en recepten uit te wisselen. Toen Hayworth door alzheimer al jong haar geheugen en ten slotte alle decorum verloor, was Ford volgens ingewijden tot het laatst ‘heel lief voor haar’. Maar juist daardoor velde hij zijn amoureuze doodvonnis. Hayworth was verslingerd aan mannen met karakter, desnoods een dominant en gevaarlijk karakter. Ze trouwde met proleten (de veel oudere Edward Judson, die haar door haar vader was opgedrongen), autocraten (prins Ali Khan) en autisten (Orson Welles), maar niet met een lieve, ruggengraatloze man als Ford, die peper- en zoutstellen verzamelde, naar video’s van zijn eigen films keek en het (in later jaren) poogde aan te leggen met alle zusters die hem door de Home Nursing Service werden toegezonden.

En hier openbaart zich het wonder van -Gilda, een geniale film die tot stand kwam dankzij de afwezigheid van een heleboel mannen in de oorlogsjaren, behalve uitgerekend de kneedbare Glenn Ford. Gilda is geen optimale film noir zoals de boekjes willen, het is in de ware zin des woords een vrouwenfilm. Om dat te zien, moeten we ons ontdoen van alle sleetse ideeën over film noir, alweer zo’n mythisch filmbegrip dat het zicht op de werkelijkheid ontneemt. Het werd in 1955 bedacht door twee Franse critici, om precies te zijn twee crypto-communisten, die uitdrukking wilden geven aan hun verachting voor de Verenigde Staten door de nadruk te leggen op de Europese afkomst van noir–regisseurs, hun adoptie van het Duitse expressionisme en hun vermeend felle kritiek op het kapitalisme. ‘Film noir is geen stijl of genre’, schreef de (eveneens Franse) filmtheoreticus Marc Vernet in 1993: ‘Het is een misverstand onder critici, een conversatie die cirkelt rond een paar topoi zoals fatale vrouwen, dwingende hartstochten, natte straatstenen en fataal isolement, aangevuld met een of andere obscure filmtitel die je gesprekspartner nog niet kent.’

En zo is het. Niet alleen loopt Gilda goed af, het regent niet eens in die film. Belangrijker is dat het script werd geschreven door Marion Parsonnet, die dat eerder had gedaan voor de aangrijpende film I’ll Be Seeing You (1944), over de onmogelijke relatie tussen een mannelijke en een vrouwelijke gedetineerde die voorwaardelijk vrij zijn. Nog belangrijker is dat de productie in handen was van Hollywoods meest onderschatte scriptschrijver, Virginia van Upp, gespecialiseerd in amoureuze duels tussen mannen en vrouwen die verstrikt zitten in obsessieve verwachtingen van elkaar. De hoofdrol in Gilda ten slotte viel toe aan een vrouw wier privé-leven werd verscheurd door het thema dat in de film centraal staat.

Hayworth voldeed aan alle Hollywood-clichés: ze was de populairste pin-up van de Tweede Wereldoorlog, de ‘G.I. Love Goddess’ wier beeltenis alle militaire slaapzalen sierde. Anderzijds vergooide ze haar liefde aan tirannieke mannen, te beginnen met haar onuitstaanbare vader, en moest ook nog eens haar carrière laten bepalen door sadistische studiobazen. Ze zou die kwaden zelfs verenigen in haar huwelijk met Welles, die haar zo vernederde en zulke oninspirerende rollen liet spelen (en dan ook nog met idioot kortgeknipt, geblondeerd haar) dat ze ten slotte gillend wegliep.

Van Upp en Hayworth kenden elkaar goed van hun samenwerking in Cover Girl (1944) waarbij Van Upp tussen de opnamen door Hayworth urenlang liet uithuilen over haar liefdesleven. Reken maar dat de dames in Gilda wisten wat ze deden. De film is een orgie van (nauwverholen) sadistische mannelijke fantasieën en obsessies, maar ook van de vrouwelijke complementen daarvan, en dat alles geplaatst in de schijnwereld van een morsig casino waar zwart geld en agressie de toon aangeven. Een wereld waarin de eindeloos kneedbare Ford zich afwisselend zwak, slaafs, bang en dan weer trots en ongenaakbaar toont en Hayworth van de weeromstuit jammert, lacht, de hoer speelt en ongenadig wraak neemt met haar in de filmgeschiedenis nimmer geëvenaarde, hypersensuele Put the Blame on Mame. En ze overwint. In plaats van femme fatale is Hayworth de eerste vrouw in de Amerikaanse film, een autonoom wezen wier liefde triomfeert over mannelijke angsten, afweermechanismen en bordkartonnen percepties. En het had geen jaar langer moeten duren; toen was Van Upp alweer ontslagen omdat een teruggekeerde man -zonodig haar plaats moest innemen.



Voor Ford daarentegen waren honderd jaar nog niet toereikend geweest om zijn rol in Gilda buiten de set te evenaren. Hij heeft levenslang in Hayworth’ schaduw gestaan. Op het witte doek stierf hij in Superman (1978) als de Amerikaanse oervader wiens strenge maar liefdevolle lessen voor de jonge Clark Kent onmisbaar waren. Wanneer de vader wordt vermoord, ontdekt zoonlief voor het eerst zijn buitenaardse krachten. Zelfs in die scène gebruikte Ford hier en daar een stand-in. En inderdaad, het zag er beter uit dan in het echt. De echte Glenn Ford stierf in zijn eigen, veel te grote bed met achterlating van een verwend kind, een huilende verpleegster en 821 peper- en zoutstellen.

30 augustus 2006

Glenn Ford op het web:

  1. Fansites

http://www.glennfordonline.com (voornamelijk plaatjes)

en

http://www.glennfordbio.com (site van zoon Peter Ford)

  1. Chris Fujiwara: Film Noir, Let’s Give It A Rest

http://www.insanemute.com/content/filmnoirrest.htm

  1. ‘I don’t wanna hear about that night! Can’t you understand?’ (Gilda, 1946)

http://www.youtube.com/watch?v=bu-S9aLW-CU

  1. Uitvoerige samenvatting van Gilda (1946) op Filmsite.org

http://www.filmsite.org/gild.html

  1. ‘Oh, the war, huh? I almost forgot…’ (Human Desire, 1954)

http://www.youtube.com/watch?v=kzSJt7eyL40

  1. The green Glove (1952) integraal op Moving Image Archive

http://www.archive.org/details/the_green_glove